Fragment uit Hou van mij
Februari
1
Mama staat op de drempel naar me te kijken. Ze heeft haar
armen over elkaar geslagen. Ze zegt niets.
Ik ook niet. Ik doe of ze er niet is en leg rustig mijn fotoalbums
op de bodem van de laatste verhuisdoos. Een paar
minuten geleden was ik nog bang, maar nu voel ik niets
meer. Ik heb de truc van de ijsmuur gedaan, de truc die ik
mezelf een paar jaar geleden heb moeten leren.
Het gaat zo: ik denk heel even aan de afgrijselijkste dingen
die ik heb meegemaakt. Dat is akelig, maar het moet.
Ik stel me het ziekenhuis voor, de dokter met dat enge apparaat,
mijn zusje in die kooi. Als ik bijna voel wat ik toen
voelde, kan ik iedereen laten bevriezen. Gauw schuif ik
overal een geluiddichte muur van ijs voor.
Het gaat in een flits en als de muur staat voel ik niets
meer. Dan zie ik mijn zusje krijsen en aan de tralies rammelen,
ik zie al het bloed op mijn bed en kan er gewoon mijn
schouders over ophalen. Ik ben koud vanbinnen.
Vandaag mag ik niet voelen hoe bang ik ben. Als ik dat
wel zou voelen, bleef ik bij mama, terwijl ik écht weg moet.
Maar het is doodeng om alles achter te laten.
Ik blijf mijn schoolspullen inpakken. De cd’s, de brieven,
de foto’s. Netjes en zorgvuldig. Steeds pak ik weer een stapel.
Ik knik tevreden; de ijsmuur staat stevig.
Of toch niet? Opeens pak ik een foto die ik niet wil zien.
De lachende gezichten van mijn zusjes kijken me aan. Ik
trek mijn lippen in een glimlach, maar mijn handen beginnen
te trillen. Gauw houd ik de foto omhoog naar mama,
zodat ik mijn gezicht erachter kan verstoppen.
Maar mama kan het ook. Niets voelen. Soms kan ze het
nog beter dan ik. Haar mond blijft een strakke streep.
‘Alles wat van jou is moet je meenemen,’ zegt ze alleen
maar.
‘Zodat je kunt doen alsof ik nooit bestaan heb?’ flap ik
eruit.
‘Jíj wilt weg, Monisha. Van mij hoeft het niet.’
Het is zo lang geleden dat mama mijn naam heeft uitgesproken,
dat ik ervan schrik. Ik zou best willen voelen hoe
fijn het is om haar ‘Monisha’ te horen zeggen, maar ik hou
het tegen.
Dan gaat de bel.
‘Daar is papa Willem,’ zeg ik.
In twee stappen is mama bij het raam. Ze kijkt naar beneden.
‘Alles wat van jou is moet je meenemen,’ zegt ze nog
een keer. Dan holt ze de trap af.
Ik ga achter haar aan naar beneden. Ik verwacht dat ze
vóór mij de deur voor papa Willem open wil doen, maar onder
aan de trap slaat ze opeens links af. Ik kijk haar na.
‘Ik ga naar de buren,’ roept ze over haar schouder.
Terwijl mijn hand naar het kettinkje op de deur gaat hoor
ik achter me de keukendeur dichtslaan. Er gaat een rilling
door me heen, omdat ik het huis uit ga en mama het gewoon
laat gebeuren. Het enige wat ze zegt is dat ik al mijn
spullen mee moet nemen.
Gelukkig ben ik koud vanbinnen. Ik haal de deur van het
slot, glimlach naar papa Willem en zeg: ‘Lekker op tijd ben
je.’
2
Papa Willem ken ik al sinds mijn tweede. Hij huurde vroeger
een kamer bij mama en mij in huis. Hij is helemaal mijn
vader niet, maar toen ik klein was heeft hij wel een keer
Sint-Maarten met mij gelopen. Dat was geweldig. Hij was
zo breed en sterk; mij kon niets gebeuren. Het was zijn idee
dat ik hem papa zou noemen.
Gisteren heb ik hem een sms’je gestuurd, omdat ik weer
vreselijke ruzie had met mama. Ik had haar toen pas verteld
dat ik wegga. Ze schreeuwde de hele tijd dat ik ondankbaar
was en alleen maar aan mezelf dacht.
Kom maar hiernaartoe, sms’te papa Willem terug. Hij
heeft nu een gezin. Ons contact is een beetje vervaagd,
maar gisteravond mocht ik mee-eten en nu komt hij me
verhuizen, samen met Dave. Dave noem ik ‘mijn broer’,
ook al is hij dat niet. Hij woont gewoon bij ons in de straat.
Ik zou graag uit een grote, hechte familie komen, maar
mijn familie is heel klein. Ik heb er niets aan, daarom heb ik
zelf mijn familie maar gemaakt.
Vroeger waren mama en ik altijd samen. Ik werd geboren
toen ze zeventien was. Als baby zat ik negen maanden in
haar, maar zij zit voor altijd in mij. Ik deed alles om haar gelukkig
te maken. Als ze om geld had gevraagd, had ik voor
geld gezorgd. We deelden alles, zelfs de zorgen om de rekeningen.
We hadden twee lichamen, maar één ziel.
Toen ik klein was werkte mama als kok. Ze kwam pas om
half elf thuis. Overdag was ik bij de buren en paste mijn
buurmeisje op me. ’s Avonds bracht ze me naar huis. Om
zeven uur legde ze me in bed, daarna ging ze weg. Zo gauw
ik de voordeur hoorde dichtslaan, kwam ik eruit, ging naar
de kamer en deed de televisie aan. Ik kijk al vanaf mijn vierde
naar gtst.
Als het afgelopen was, ging ik weer naar bed. Mama’s
bed. ’s Nachts kwam ze thuis en warmde ze haar koude voeten
aan mij. We deden alles voor elkaar.
Nu boeit het me niet of ze gelukkig is. Tegenwoordig
warmt mama haar voeten aan Fred.
Mijn broer schroeft het bed uit elkaar en beult het daarna
vloekend over de smalle trap naar beneden. Papa Willem
klapt de tafel in en neemt hem onder zijn arm. De boedelbak
buiten is al bijna vol door die grote slaapbank van opa
en oma. Zij hebben hem over en ik mag hem hebben.
Toen ik dat gisteravond aan mama vertelde ontplofte ze
pas echt. ‘Heb je het allemaal stiekem voorbereid?’ gilde ze.
‘Weet iedereen dat je weggaat, behalve ik?!’
Dat is echt even genieten: als zij flipt en ik rustig blijf.
Dus ik at zonder te antwoorden mijn bord leeg, daarna ging
ik naar boven.
Ik blijf bij de boedelbak om de spullen bewaken, want ze
jatten hier alles waar je je rug naartoe draait. Nog drie keer
lopen papa Willem en mijn broer heen en weer. Met dozen
met kleren, een Super de Boer-tas vol schoenen, en de computer.
Die computer is eigenlijk van een vriend van me die
vastzit. Als hij vrijkomt, moet hij hem terug hebben. Wat
moet ik dan, zonder computer? denk ik vaak.
‘Gaat het, Monisha?’ vraagt papa Willem, als we alle
drie in zijn auto zitten. Hij steekt de autosleutel in het contact
en kijkt me via de achteruitkijkspiegel aan. Mijn broer
draait zich naar me om.
Ik haal mijn schouders op en kijk naar buiten, naar de
grauwe voordeur. De dichte voordeur. Daarboven is het
raam van mijn slaapkamer. Daar hing ik altijd naar buiten
vroeger, avond aan avond. Schreeuwend naar de overkant,
waar Jonnie ook uit het raam hing.
‘Hé! Wat doe je?’
‘Niets! Muziek luisteren!’
‘Wat luister je?’
‘Lajoya, hoor maar!’ Muziek harder. ‘Wat doe jij dan?’
Nog harder schreeuwen.
‘Niets! Beetje chillen!’
Dan kwam mama naar boven. Kwaad, natuurlijk. ‘Laat
hem hier komen,’ zei ze. ‘Dat geschreeuw!’
Zo werden we verliefd. Ik was twaalf, Jonnie vijftien.
Fred en mama kenden elkaar net. Zij zoenden en knuffelden
elkaar, Jonnie en ik ook.
‘Nou?’ Papa Willem wacht nog steeds op mijn antwoord.
‘Straks wil ze me terug,’ zeg ik, eigenlijk vooral tegen
mezelf. ‘Dan gaat ze me missen. Maar ze zal moeten smeken
of ik weer bij haar kom wonen. Op haar knieën.’
Papa Willem trekt zijn wenkbrauwen op en draait de
contactsleutel om.