Fragment uit Septimus Heap Boek 2: Vlught
1
Spinnen
Septimus Heap liet zes spinnen in een potje vallen, draaide
het deksel stevig dicht en zette ze buiten de deur. Toen pakte
hij zijn bezem en ging verder met het aanvegen van de Piramidebibliotheek.
De bibliotheek was krap en donker. Ze werd verlicht door
een paar knetterende, sputterende vetkaarsen en er hing een
eigenaardige geur – een mengsel van wierook, muf papier en
schimmelend leer. Septimus vond het er heerlijk. Het was een
plek vol Magiek, boven in de Tovenaarstoren, diep verborgen
in de gouden Piramide die de Toren bekroonde. Buiten blonk
het gedreven goud van de Piramide helder in de eerste ochtendzon.
Toen Septimus klaar was met vegen schuifelde hij langzaam
langs de boekenplanken, diep tevreden neuriënd terwijl
hij de Magiekboeken, perkamenten en spreuken die de
Buitengewone Tovenares, Marcia Overstrand, zoals gewoonlijk
weer in een chaos had achtergelaten, netjes ordende.
De meeste jongens van elfenhalf zouden op die heldere zomerochtend
veel liever buiten zijn geweest, maar Septimus
was precies waar hij wilde zijn. Hij had meer dan genoeg zomerochtenden
buiten doorgebracht – winterochtenden trouwens
ook – in de eerste tien jaar van zijn leven als soldaat van
het Jonge Leger, als Jongen 412.
Als Leerling van de Buitengewone Tovenares had Septimus
tot taak elke ochtend de Bibliotheek op te ruimen. En elke
ochtend vond Septimus weer iets nieuws en opwindends.
Vaak was het iets dat Marcia speciaal voor hem had laten liggen;
het kon een Bezwering zijn die ze laat op de avond ergens
had aangetroffen en die hem misschien zou interesseren,
of een beduimeld oud boek met toverformules dat ze van
een van de Verborgen Planken had genomen. Maar vandaag,
dacht Septimus, had hijzelf iets gevonden. Het zat onder een
zware koperen kandelaar geplakt en het zag er nogal onsmakelijk
uit – bepaald niet iets wat Marcia graag zou beetpakken.
Heel voorzichtig pulkte Septimus het kleverige bruine
vierkantje van de onderkant van de kandelaar en legde het in
zijn hand. Opgewonden bestudeerde hij zijn vondst: het was
vast en zeker een Smaakamulet. Het dikke, bruine vierkantje
zag eruit als een oud stukje chocola, het rook naar een oud
stukje chocola, en hij wist vrij zeker dat het ook zou smaken
naar een oud stukje chocola, hoewel hij niet van plan was de
proef op de som te nemen. Er was een kans dat het een Gifamulet
was, uit de grote doos gevallen waarop stond toxica,
vergiften en andere dodelijke stoffen. Die
stond nogal wankel op de plank erboven.
Septimus haalde een kleine loep uit zijn Leerlinggordel en
hield die zo boven de dunne witte letters die over het vierkantje
kronkelden dat hij ze kon lezen. Er stond:
Schud mij flink
en voor je ’t weet
heb je Quetzalcoatls
Sjokolade beet
Septimus grijnsde: hij had gelijk. Maar dat was meestal zo als
het Magiek betrof. Het was inderdaad een Smaakamulet – en
wat meer is, het was een chocolade-Smaakamulet. Septimus
wist precies aan wie hij die wilde geven. Met een glimlach liet
hij de Amulet in zijn zak glijden.
Septimus was nu bijna klaar in de Bibliotheek. Hij klom de
ladder op om de laatste plank in orde te maken, en stond opeens
oog in oog met de grootste en harigste spin die hij ooit
gezien had. Septimus slikte; als Marcia niet geëist had dat hij
elke spin die hij in de Bibliotheek tegenkwam zou weghalen,
had hij deze met alle plezier met rust gelaten. Hij was ervan
overtuigd dat de spin hem van zijn stuk probeerde te brengen
met zijn acht starende kraalogen, en die harige poten bevielen
hem ook maar matig. Die poten waren volgens hem
van plan om zijn mouw binnen te rennen, als hij de spin niet
gauw vastgreep.
In een flits had Septimus de spin in zijn hand. Het beest
krabbelde woedend tegen zijn stoffige vingers en probeerde
die met verbazend veel kracht uit elkaar te krijgen, maar Septimus
hield zijn hand stijf dicht. Vlug klauterde hij de ladder
af, langs het luikje dat op het gouden dak van de Piramide
uitkwam. Net toen hij van de onderste tree stapte beet de spin
hem in zijn duim.
‘Au!’ gilde Septimus.
Hij greep het spinnenpotje, draaide met één hand het deksel
eraf en liet het beest erin vallen, tot ontzetting van de spin
nen die er al in zaten. Toen draaide Septimus, met een duim
die al begon te kloppen, het deksel zo stijf mogelijk weer
dicht. Met de pot, waarin nu zes kleine spinnen hard rondrenden
om aan die ene grote harige te ontkomen, stevig in
zijn hand geklemd holde Septimus de nauwe stenen wenteltrap
af die van de Bibliotheek naar de vertrekken leidde van
de Buitengewone Tovenares, Madame Marcia Overstrand.
Septimus haastte zich langs de gesloten, paars met gouden
deur van Marcia’s slaapkamer, langs zijn eigen kamerdeur, en
daalde nog een paar treden af op weg naar de toverdrankenkamer
naast Marcia’s werkkamer. Hij zette de pot met spinnen
neer en keek naar zijn duim. Die zag er niet fraai uit. Hij
was nu donkerrood en op zijn hand begonnen vreemde blauwe
vlekken te verschijnen. En het deed bovendien pijn. Septimus
klikte met zijn goede hand de medicijnkist open, vond
daar een tube Spinnenzalf en kneep die helemaal leeg over
zijn duim. Maar het leek niet erg te helpen; het werd er zelfs
erger door. Septimus staarde naar de duim, die nu opzwol als
een ballonnetje en aanvoelde alsof hij elk ogenblik kon ontploffen.
Marcia Overstrand, bij wie Septimus nu bijna anderhalf
jaar lang Leerling was, had de Duystere Tovenaar DomDaniël
verdreven tijdens zijn tweede periode als Buitengewoon Tovenaar.
Zegevierend was ze teruggekeerd naar de Tovenaarstoren,
en daar zaten de spinnen op haar te wachten. Marcia
had de Toren van alle Duystere Magiek Ontdaan, en had de
Magiek weer in ere hersteld, maar de spinnen was ze niet
kwijtgeraakt. En Marcia was daarover ontdaan, want ze wist
dat de spinnen betekenden dat er nog altijd Duystere Magiek
in de Toren aanwezig was.
In het begin, toen Marcia net terug was in de Toren, had ze
het zo druk dat ze niet merkte dat er iets mis was, behalve dan
dat er spinnen waren. Voor het eerst had ze een Leerling aan
wie ze aandacht moest besteden, ze had rekening te houden
met de familie Heap, die nu in het Paleis woonde, en dan was
er nog een hele bende Gewone Tovenaars die ze moest uitzoeken
en weer terugbrengen naar de Toren. Maar tegen het
einde van Septimus’ eerste zomer in de Tovenaarstoren zag
Marcia steeds vanuit haar ooghoek dat ze door iets Duysters
werd gevolgd. Eerst dacht ze dat ze het zich maar verbeeldde,
want als ze goed over haar schouder keek was er niets te zien.
Pas toen Alther Mella, de geest van Marcia’s oude leermeester
en de Buitengewone Tovenaar, haar had gezegd dat ook hij
iets zag, wist Marcia dat het geen verbeelding was – ze werd
echt door een Duystere Schaduw gevolgd.
En daarom was Marcia het afgelopen jaar aldoor bezig
geweest met het bouwen van een Schaduwvanger. Hij was
nu bijna klaar en hij stond in een hoek van de kamer. Het
was een wirwar van glanzende zwarte stokken en spijlen, gemaakt
uit het speciale Amalgaam van professor Weasal Van
Klampff. Rond de spijlen van de Schaduwvanger zweefde
een eigenaardige zwarte mist, en af en toe speelden er oranje
lichtflitsen doorheen. Maar eindelijk was hij nu bijna klaar,
en binnenkort zou Marcia er naar binnen kunnen lopen met
de Schaduw achter haar aan, om weer naar buiten te komen
met achterlating van de Schaduw. En dat zou, hoopte Marcia,
het einde zijn van de Duysternisse in de Toren.
Terwijl Septimus naar zijn duim stond te staren, die nu
tweemaal zo dik was als normaal en een akelige paarsige kleur
had gekregen, hoorde hij de deur van Marcia’s werkkamer
opengaan.
‘Ik ga, Septimus,’ zei Marcia resoluut. ‘Ik moet nog een on
derdeel ophalen voor de Schaduwvanger. Ik heb de oude
Weasal beloofd vanmorgen bij hem langs te komen. Het is
bijna het laatste, we hoeven hierna alleen nog maar de Stop
op te halen, Septimus, en dan is het zover. Vaarwel, Schaduw.’
‘Oooo,’ kreunde Septimus.
Wantrouwig gluurde Marcia om de deur. ‘Wat voer jij uit
in de toverdrankenkamer?’ vroeg ze geërgerd. Toen zag ze
Septimus’ hand. ‘Goeie genade, wat heb je nú gedaan? Heb je
je alweer gebrand bij het uitproberen van een Vuurspreuk?
Ik wil hier geen geschroeide papegaaien meer, Septimus. Ze
stinken. En voor de papegaaien is het ook niet leuk.’
‘O... au... Maar dat was per ongeluk,’ mompelde Septimus.
‘Ik bedoelde de Vuurvogelspreuk. Iedereen vergist zich wel
eens. Au au! Ik ben gebeten.’