Fragment uit Misschien wisten zij alles
Er ging geen dag voorbij of de eekhoorn was wel op stap. Hij liet zich ’s ochtends uit de beukenboom naar beneden vallen op het mos, of soms van het puntje van een tak in de vijver op de rug van de libel, die hem dan zwijgend naar de kant bracht. Hij sloeg altijd de eerste de beste weg in die voor zijn voeten kwam. Maar als hij een zijweg zag dan sloeg hij die in, en als het hem lukte zijn plannen voor die dag te vergeten dan vergat hij ze.
Zo was hij op een dag op weg naar de olifant, die ging verhuizen en nog wat hulp nodig had, toen hij een kronkelig zandpad zag. Dat sloeg hij in. Er stond een bordje: weg naar de rand. Daar wil ik heen! dacht de eekhoorn. Maar tot zijn verdriet was er al spoedig weer een zijweg die hij niet links kon laten liggen, hoe graag hij dat ook had gewild.
Doodlopende weg, stond er op een bordje op de zijweg. Met grote tegenzin liep de eekhoorn langs deze weg die al snel doodliep in een dik en doornig struikgewas. De eekhoorn haalde zijn huid open en worstelde langdurig met het struikgewas. Toen rolde hij in een greppel en sliep onder een deken van oude bladeren.
Toen hij wakker werd was het avond en kon hij weer gaan slapen.
De volgende ochtend bereikte hij een weg die hem zonder omwegen of zijwegen naar het strand bracht. Daar lag een bootje gereed. De eekhoorn stapte aan boord en voer naar de horizon, en vervolgens over de horizon langs kromme zeeën, door poorten in ijsbergen en over spiegelgladde watervlaktes naar steeds weer nieuwe horizonnen. Soms voer hij loodrecht naar beneden langs de randen van reusachtige draaikolken, soms vloog hij van top naar top over de toppen van witte golven.
De zon werd steeds groter en groter, of misschien werd zij niet
groter maar kwam zij steeds dichterbij.
Ten slotte werd de eekhoorn door een golf op een kust geworpen waar hij avonturen beleefde, zo veel en zo wonderbaarlijk dat hij er nog weken over vertelde toen hij kort daarna weer thuis was. Tot de mier en de egel, twee vrienden van hem, er genoeg van kregen en hem dat ook zeiden.
‘En óveral daar...’ probeerde de eekhoorn nog.
‘Genoeg!’ gilde de mier.
Op een middag zat de eekhoorn na te denken in het weiland langs de rivier. Hij leunde op een van zijn ellebogen en lag gedeeltelijk op zijn staart, gedeeltelijk op het gras, terwijl om hem heen boterbloemen, klavers en madeliefjes bloeiden.
Hij dacht over van alles na. De zon scheen en hij keek, al nadenkend, naar het glinsterende water. Soms vloog de reiger voorbij en zag hij een schaduw over het water glijden.
Plotseling was het alsof hij wakker schrok, maar hij wist niet of hij had geslapen. Hij herinnerde zich wel dat de rivier tegen hem had gesproken en hem had gezegd dat hij maar eens honderd jaar moest gaan slapen en dat ze dan wel verder zouden zien. Dat had hij erg lang gevonden. Hij had zo snel mogelijk geslapen of gedaan alsof hij sliep, en voor hij het wist was hij al gewekt door...
‘Au!’ riep hij.
‘Ja,’ zei de wesp. ‘Je stond op mijn vleugel.’
‘Maar ik sliep!’ zei de eekhoorn, hoewel hij dat niet helemaal zeker wist.
‘Nou en? Vind je dat dat iets uitmaakt?’
‘Maar ik lag stil...’
‘Nou en? Als er op mijn vleugel wordt gestaan dan kan het mij niet schelen hoe of wat. Voor mijn part staat er lucht op, of licht of niks, maar ik voel het. En dan steek ik. En voor mijn part steek ik in de lucht of tegen het licht in of in het niks, maar ik steek!’
De wesp viel achterover van het gewicht van zijn woorden, maar stond snel weer op.
‘Dus zodoende,’ zei hij.
‘Het doet pijn,’ zei de eekhoorn en hij voelde de bult op zijn knie snel groter worden.
‘Dus het was niet niks!’ zei de wesp, met een eigenaardige glimlach.
De eekhoorn zuchtte. Hij was moe en het was avond en de rivier glinsterde tot in de verste verte niet meer, zelfs niet voorbij de brug in het westen waar de lucht nog rood was.
‘Ik ga maar weer eens,’ zei de wesp.
‘Ja,’ zei de eekhoorn.
‘Iets aan mijn vleugel doen,’ zei de wesp, ‘want zo is het niks.’
‘Nee,’ zei de eekhoorn. De wesp vloog moeizaam weg, terwijl de eekhoorn strompelend het bos in ging, in de schemering, op weg naar huis.
De eekhoorn was ziek. Hij lag te rillen onder zijn dekens. De mier, die ervan overtuigd was dat hij verstand had van ziektes, keek in het oor van de eekhoorn en zei dat hij daar heel ver weg iets roods zag, het leek wel een edelsteen, zo flonkerde het.
‘Zou dat het zijn?’ vroeg hij zich af.
‘Maar ik heb geen pijn in mijn oor,’ zei de eekhoorn en hij kroop verder weg onder zijn dekens.
De krekel kneep even later met een ernstig gezicht in het puntje van de staart van de eekhoorn.
‘Au!’ riep de eekhoorn.
‘Aha!’ zei de krekel. ‘Dat is het.’
Maar de eekhoorn schudde zijn hoofd en vroeg de mier en de krekel om weg te gaan.
Urenlang lag hij daar helemaal alleen te klappertanden in zijn warme bed. Het werd donker. De eekhoorn doezelde weg, maar schrok opeens wakker toen er op zijn deur werd geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg hij.
‘Ik ben het,’ zei een stem.
‘Wie?’
‘Ik.’
Er kwam iemand binnen, maar het was zo donker dat de eekhoorn niet kon zien wie het was.
‘Wie bent u?’ vroeg hij.
‘Ik,’ zei de stem weer. De eekhoorn herkende de stem niet.
‘Wat wilt u?’
‘Je moet op reis,’ zei de stem. ‘Je bent ziek van het ziek zijn.’
‘Maar ik wil helemaal niet op reis,’ zei de eekhoorn. ‘Dat kan toch nooit goed voor mij zijn?’
‘Het moet,’ zei de stem.
De eekhoorn voelde een windvlaag door de open deur naar zijn bed toe waaien. Hij werd hoog opgetild en meegenomen. Hij vloog langs de bovenkant van de lucht en zag duizenden sterren flonkeren onder hem, met de maan als een gele stip helemaal onderaan. Er klonk een vreemd gefluit in zijn oren, soms onderbroken door flarden van zinnen.
‘...niet thuis, en daarnet nog...’ Het was de stem van de mier.
‘...misschien naar de giraffe...’ De stem van de krekel.
‘...ijlt hij wel, zeilt hij wel...’ De stem van de olifant.
‘...leert eindelijk eens toveren...’ De stem van de kameleon, die hij slechts één keer eerder had gehoord op de verjaardag van de kolibrie, of was het bij de potvis...
Hij kon de stemmen niet meer verstaan en het gefluit werd steeds luider. En met een zachte plof viel hij op het mos onder de beukenboom, vroeg in de ochtend, op een mooie dag in het voorjaar.
De mier stond al snel naast hem.
‘Je bent uit bed gevallen,’ zei hij met een ernstig gezicht. ‘En dat niet alleen,’ voegde hij eraan toe.
‘Het is een wonder,’ zei de krekel, die buiten adem aan kwam hollen, ‘dat het zo is afgelopen.’
De eekhoorn knikte. Op een pijnlijke bult op zijn achterhoofd na had hij verder nergens last v