Fragment uit De Wilde Kippen Club: Groot alarm
Roos nam net een tweede bord lasagne toen de telefoon ging.
‘Tééélefoon!’ brulde haar kleine broertje Luca. Van opwinding kieperde hij zijn appelsap om.
Titus, de grote broer van Roos, schoof grijnzend zijn stoel naar achteren. ‘Wedden dat het Roos d’r vriendje weer is?’ zei hij en slofte de gang in.
‘Ik heb helemaal geen vriendje, verdomme!’ riep Roos hem na.
‘Roos, vloek niet zo!’ zei haar vader.
Luca hield zijn dampende bord onder haar neus.
‘Wil je blazen, Roos?’ lispelde hij in haar oor.
Roos blies en luisterde intussen naar wat er op de gang gebeurde.
‘Jeetje Sprotje, hoe is het mogelijk!’ zei Titus zoetsappig aan de telefoon. ‘Sinds wanneer kunnen Kippen bellen?’
In een tel stond Roos naast hem en griste de hoorn uit zijn handen. ‘Wat is er?’ vroeg ze. ‘Sorry, maar ik dacht...’
‘De vos komt eraan, Roos!’ fluisterde Sprotje in haar oor. ‘Hoor je me?’
‘De vos?’ Roos liet de hoorn bijna uit haar hand vallen. Titus zat weer aan de keukentafel, maar keek nieuwsgierig haar kant op. Ze ging snel met haar rug naar hem toe staan.
‘Ja, ja, de vos!’ Sprotje klonk verschrikkelijk opgewonden. ‘Telefoonketting! Spoedvergadering om zeven uur. Is jullie kelderbox vrij?’
‘Ja maar... Wat is er gebeurd? We hebben nog nooit...’
‘Dat vertel ik later wel!’ zei Sprotje zacht. Toen hing ze op.
Roos stond als aan de grond genageld. De vos komt eraan! In de geheime taal van de Wilde Kippen betekende dat groot alarm, levensgevaar! Alleen in uiterste nood mocht een Wilde Kip vossenalarm slaan. Die regel had Sprotje zelf verzonnen. Roos keek met een diepe frons in haar voorhoofd naar de telefoon.
‘Roos, kom maar weer aan tafel,’ zei haar moeder. ‘Je lasagne wordt koud.’
‘Ja, ik kom zo,’ mompelde Roos. ‘Ik moet alleen snel even bellen.’ Haastig draaide ze het nummer van Kim.
‘Bogolowski,’ murmelde Kim in de telefoon.
‘De vos komt eraan!’ fluisterde Roos.
‘Wat?’ klonk het geschrokken aan de andere kant.
‘Telefoonketting!’ zei Roos. ‘Om zeven uur vergadering bij ons in de kelder.’
‘O god! Oké. Komt voor elkaar,’ stamelde Kim. ‘Eh... wacht even. Hoe ging dat ook alweer, die telefoonketting? Moet ik Lisa bellen of Melanie?’
‘Jemig, Kim!’ Roos kreunde. ‘Schrijf het nou eens een keertje op. Jíj moet Melanie bellen en dan belt die Lisa, gesnopen?’
‘O... oké,’ stotterde Kim. ‘Maar vossenalarm? Hoezo dat dan? Weet je het zeker? Wat is er dan gebeurd?’
‘Roos!’ zei haar vader. ‘Als je nu niet aan tafel komt, hang ík wel even voor je op.’
Roos fluisterde: ‘Tot zo,’ en hing op. Ze ging weer aan tafel zitten en prikte in haar lasagne.
‘De vos komt eraan!’ fluisterde Titus in haar oor.
‘Hou op, dombo,’ mompelde Roos.
‘Betekent dat iets in jullie kakelgeheimtaal?’ vroeg Titus spottend.
Roos gaf hem geërgerd een duw. ‘Gaat je geen moer aan.’
Er wordt alleen vossenalarm geslagen als het een zaak is van leven of dood, stond in het geheime clubboek van de Wilde Kippen. O jee.
Wie zou er in levensgevaar zijn? Sprotje? Vanochtend had ze op school nog die billenknijper uit de parallelklas een stomp verkocht...
Luca trok aan haar mouw en kwebbelde aan één stuk door tegen haar, maar Roos luisterde niet. De Wilde Kippen hadden samen al van alles meegemaakt – Sprotjes problemen met haar oma, Melanies pukkelperikelen, Kims scheidingstranen en diëten, Lisa’s eeuwige schoolstress en de pesterijen van de Pygmeeën – maar nog nooit had een van hen vossenalarm geslagen, nog nooit! Rattenalarm, ja, dat was wel eens gebeurd, bijvoorbeeld toen de Pygmeeën Melanies dagboek gepikt hadden. En toen de jongens Lisa op spioneren betrapten en meesleepten naar hun hol, hadden ze zelfs marteralarm geslagen. Maar vossenalarm? Nee, dan moest er nog iets veel, veel ergers gebeurd zijn.
Roos nam traag een hap koude lasagne. Voerden de Pygmeeën soms iets extra gemeens in hun schild? Nee, die gedroegen zich op het moment juist heel vredig – op Mat na dan, en die, nou ja... Roos werd rood en probeerde aan iets anders te denken. Had Sprotje misschien ruzie met die stomme nieuwe vriend van haar moeder? Maar dan zou ze toch nooit vossenalarm slaan! Nee, dat kon het ook niet zijn.
Een klein dik handje streek over haar gezicht. ‘Waar is die vos dan, Roos?’ vroeg Luca. ‘Eten vossen mensen?’
‘Nee, die eten...’ Titus graaide naar de veer die Roos om haar hals had, ‘...kííííppen!’
Boos sloeg Roos zijn hand weg.
‘Waarom hebben jullie eigenlijk alweer in onze kelder afgesproken?’ fluisterde Titus haar toe. ‘Heeft die domme club van jullie nou nog steeds geen nest?’
Roos wierp hem alleen een vernietigende blik toe.
‘Hoezo nest?’ lispelde Luca en stak een vingertje in de lasagne van Roos. ‘Hebben vossen dan ook nesten?’
Roos kreunde, haalde Luca’s vinger uit haar bord en veegde een klodder saus van zijn wang.
Helaas had Titus gelijk. De Wilde Kippen hadden nog steeds geen clubhuis. De hut die ze op het braakliggende terrein achter de school van planken gebouwd hadden was bij de laatste storm zomaar in elkaar gestort, en een boomhut, zoals die van de Pygmeeën, was voor de Kippen geen goed plan omdat Sprotje hoogtevrees had. Al zou ze dat natuurlijk nooit toegeven. Het was diep treurig. Achter de kaler wordende bomen lag de winter al op de loer, maar de Wilde Kippen moesten hun clubboek en de kippenschatten nog steeds
in de hooikist onder de kooi van Lisa’s cavia verstoppen en hielden hun besprekingen in een tafeltenniskelder. Daar werden ze aan de lopende band gestoord door Titus en zijn vervelende vriendjes, of door Luca, die op geheime clubbijeenkomsten binnenviel met de vraag: ‘Mag ik ook een koekje?’ en in hun clubboek de mooiste tekeningen maakte. Het was allemaal zo verschrikkelijk irritant.
En nu ook nog dat telefoontje van Sprotje. Vossenalarm... Goeie god! dacht Roos. Wat is er nou toch gebeurd?
Om iets voor zevenen trok Roos de huisdeur achter zich dicht en liep de trap af naar de buitendeur. Bij wijze van uitzondering kwam er eens geen nieuwsgierig broertje achter haar aan. Titus maakte luidkeels ruzie met hun moeder en Luca zat met waskrijtjes op zijn buik te tekenen. Roos hoefde niet lang op de andere Kippen te wachten. Om klokslag zeven uur belde Lisa aan en twee minuten later reden Melanie en Kim hun fietsen de hal in.
‘Mogen we onze fietsen hier neerzetten?’ hijgde Kim. Ze raakte altijd buiten adem van fietsen.
Roos haalde haar schouders op. ‘Tuurlijk, de buren zullen wel weer gaan klagen, maar wat kan ons het schelen.’
‘Ik krijg wat van die verkoudheid,’ snufte Lisa. ‘Nou zijn mijn zakdoekjes alweer op.’
Melanie zette haar fiets tegen de muur en wierp haar een pakje papieren zakdoekjes toe. ‘Is Sprotje er nog niet?’ vroeg ze pinnig.
Roos schudde haar hoofd. Kim grinnikte. ‘Wat zou ze nu weer voor smoes hebben?’