Fragment uit Verkocht
1
‘Zorg goed voor mijn zoon, hij is pas vier.’ Mijn moeder
duwde me naar voren.
‘Nee mama, ik wil niet! Niet doen!’ Ik klemde me vast aan
haar been.
‘Ik wil niet met Asnar mee. Ik ken hem niet eens. Hij kijkt
vals. Hij stinkt!’
‘Maak het niet moeilijker dan het is,’ zei mijn vader. ‘Jij
bent onze redding en onze rijkdom, we hebben geen keus.’
Hij wurmde mijn handen los en dwong me één klein stapje
te doen. En nog een. ‘Ga nou maar, het moet!’
Dat waren de laatste woorden die ik hoorde. ‘Het moet!’ Ik
kreeg een por in mijn rug en struikelde voorover. Asnar
ving me met zijn ene hand op, met de andere gaf hij het
geld aan mijn vader. Die gaf het meteen door aan mijn
moeder, alsof hij zijn vingers eraan brandde.
De koop was gesloten.
Ik probeerde me los te rukken en weg te rennen. ‘Ik wil
hier blijven. Laat me los. Los!’
Ik schopte tegen Asnars schenen, maar mijn blote voeten
waren zo klein. Hij tilde mij met een zwaai van de grond
en gooide me over zijn schouder. ‘Ik behandel hem als
mijn eigen zoon,’ zei hij en droeg me als een zak zand naar
de auto.
‘Mamá!’
Mijn moeder staarde naar het geld in haar hand, vieze vodjes
gekreukeld papier. Ze keek pas weer op toen Asnar mij
ruw op de achterbank plantte en het portier dichtsloeg.
‘Má-máá…’
Asnar startte, de auto hobbelde de weg op. Een vrachtwagen
met stro moest uitwijken.
Tóé-óét…
Het leek of mijn moeder wakker schrok, of het toen pas tot
haar doordrong hoe erg ik haar zou missen.
Ze zwaaide – ik schreeuwde.
Ze stak haar handen naar mij uit – ik drukte de mijne
tegen het harde glas.
Met haar ronde buik holde mama de auto achterna tot het
theehuis. Ik trok aan de hendel, maar het portier zat op
slot.
Ze riep. Ik hoorde niks, maar ik las de woorden van haar
lippen: kom terug…
‘Wacht! Ik wil eruit!’
‘Bek houden!’ snauwde Asnar. Hij trapte het gaspedaal in,
de auto schoot naar voren.
Mama viel op haar knieën langs de kant van de weg. Ze stak
haar armen naar me uit, alsof ze me terug wilde trekken.
Een paar geldbriefjes wapperden de lucht in – papa vloog
er snel achteraan. Toen hij alles gevangen had, probeerde
hij mijn moeder overeind te helpen.
Ik riep: ‘Stop!’
Maar Asnar reed gewoon door. Hij slingerde om een kuil
heen, zand spatte op.
Pè-èè-èèp!
Asnar hield de claxon ingedrukt omdat hij de vrachtwagen
met stro wilde passeren. Pas na lang toeteren ging de
chauffeur opzij. De motor gierde en gromde, en daarna
waren papa en mama in een stofwolk verdwenen.
Asnar stak een sigaret op. We raasden langs ezelkarretjes,
langs de put waar het water omhoog werd gepompt door
de blinde kameel. Dag in dag uit trok het beest een balk in
de rondte. Tot ver in de omtrek was het knarsen en kraken
van het houten scheprad te horen.
Vroeger ging ik vaak met mijn zusje Noor bij de kameel
kijken. We plukten haren uit zijn vlokkige vacht om mijn
bal op te vullen, en we voerden de kameel hooi omdat hij
zo mager was. Ik vond hem zielig – het spoor waarin hij
liep, sleet steeds dieper uit.
‘Over een tijdje steekt alleen zijn kop nog boven het zand
uit,’ zei Noor.
‘Dan klim ik op zijn rug.’
‘Mooi niet. Als je in die greppel valt, word je vertrapt.’
‘Maar ik hou me goed vast aan een bult of een oor.’
‘Hij ziet niks, hij loopt gewoon over je heen als je daar ligt.’
Ik klom op de balk die door de kameel werd rondgetrokken.
Noor danste erachteraan, dat kon ze toen nog…
Pèp pèè-èèèp!
Asnar toeterde zo lang, het deed pijn aan mijn oren. De
eerste keer dat ik in een auto zat, vond ik het een vrolijk
geluid. Toen wou ik zo lang mogelijk rijden, nu wilde ik er
alleen nog maar uit.
Ik duwde mijn gezicht tegen het raampje. Het meer van
Manchar was nog even te zien. De woonboten met hun
hoge voorkant. De lemen hutten op de eilandjes… In één
van die hutten was ik geboren. Daar woonde ik. Daar hoorde
ik dat ik op reis zou gaan, maar niet dat het de volgende
ochtend al zou gebeuren. Als ik dat had geweten, was ik
gevlucht.
2
Noor bracht me bijna elke avond naar bed met een verhaaltje
dat ze zelf verzon. Over een witte reiger die niet durfde
te vliegen en daarom trip-trip-trippend op trektocht ging
– hij werd wereldkampioen op één poot staan. Of ze vertelde
over een banaan die na elk hap groeide en een kom rijst
die nooit leeg raakte. Of over een meisje dat hoge salto’s
kon maken en danseres werd, en dat meisje was zij dan.
Maar het verhaal van de smid vond ik het mooist, dat wilde
ik steeds opnieuw horen.
‘Er was eens een smid,’ begon Noor dan. ‘Zoals altijd zat hij
langs de kant van de weg te wachten op klanten. Op een
dag kwam er een meisje naar hem toe, een mooi meisje op
een spierwit paard. Ze hield een gouden ring in haar hand.
“Kunt u hem iets groter maken?” vroeg ze. “Hij past me
niet meer.” Ze gaf de ring aan de smid en legde haar hand
in de zijne, zodat hij de maat kon nemen. De man staarde
naar de slanke vingers van het meisje, naar haar hals, en
toen naar haar gezicht. Niet eventjes, maar heel lang. Hij
sloeg zijn ogen niet neer zoals het de gewoonte is, en hij
vergat dat hij moest meten.
Dit is geen gewoon meisje, dacht de smid, dit is een echte
prinses!
Die teentjes…
Die voeten…
Die sierlijke kuiten…
Haar ogen en lippen…
Haar vrolijke wangen…
Die grappige neus!’
Noor raakte bij mij alles aan wat ze noemde. Dat kriebelde
fijn, vooral op het laatst, dan wreef ze zacht over mijn oor.
Wat een schoonheid, dacht de smid, ik wil met haar trouwen.
Zij is mijn liefde, bij haar wil ik zijn.
En hij stelde zich voor dat hij rijk was en ook op een paard
zat en dat de prinses hem dan kuste…
Terwijl de smid wegdreef in een zoete dagdroom pompte
zijn arm aan de blaasbalg maar door en door. De luchtzak
ging open en dicht. Het vuurtje werd heter en roder en
toen… toen liet hij de ring in de gloeiende kolen vallen.
tingk!
Het paard deinsde terug voor de opschietende vonken, het
steigerde en sprong in galop. De smid schrok van de ratelende
hoeven. Hij wou de ring grijpen, maar dat had hij
beter niet kunnen doen.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik elke keer weer.
‘Zijn gezicht kwam te dicht bij het razende vuur. Zijn snor
schroeide weg. De blaren sprongen op zijn lippen. Prinses,
help me, wilde hij roepen. Kom me redden! Maar hij kreeg
zijn kaken niet van elkaar – zijn gouden kiezen waren door
de hitte gesmolten, ze zaten aan elkaar vastgeplakt in zijn
mond.
Terwijl het meisje in de verte verdween stamelde hij: “Elleb
mu pjinses, kommu reddu…”
Maar er was niemand die hem verstond. De prinses keerde
niet terug en sinds die dag heeft de smid geen woord meer
gezegd.’
‘En de ring?’
‘Die loste op in het vuur als suiker in thee. Net als de dag,
Yaqub, die verdwijnt in de nacht. En nu moet je gaan slapen.’
‘Bijna. Wil je dat stukje van die vingers en die voeten nog
eens doen, en dan hééél lang kriebelen bij mijn oor?’