Fragment uit Het grote boek van Madelief
Poesje
Madelief heeft een klein poesje gekregen. Ze houdt het in haar armen,
maar het is heel wild. Het wil steeds naar beneden. Naar de
grond, om te spelen.
‘Kijk Roos,’ zegt Madelief. ‘Dit is Tamara. Mijn poesje.’
‘Oh wat lief,’ zegt Roos. Ze aait met één vinger over het poezensnuitje.
Hap, doet het poesje. Zijn scherpe tandjes prikken in Roos
haar vinger.
‘Ja, hij is heel lief,’ zegt Madelief. ‘Hij wil altijd bij me zijn, zie je
wel?’
Het poesje heeft Roosjes vinger losgelaten. Het kronkelt en krabt
om uit Madeliefjes armen te komen. De scherpe nageltjes krassen
over Madeliefs arm, maar ze laat niet los.
‘Als ik hem roep, dan springt hij zó in mijn armen en als ik op
een stoel zit dan komt hij altijd op schoot.’
Roos kijkt angstig naar de rode krassen op Madeliefs arm. ‘Doet
het pijn?’ vraagt ze.
‘Welnee malle. Hij speelt maar.’
Nu heeft het poesje het vel van Madeliefs hand tussen zijn tanden.
Gelukkig dat het maar speelt anders deed het vast erg pijn.
Roos kijkt naar Madelief. Het is net of ze het heel warm heeft.
‘Hij bijt niet door hoor. Dat komt omdat hij van mij is. Bij anderen
bijt hij zo hard als hij kan.’
Dat heeft Roos gemerkt. Ze aait hem maar niet meer. Misschien
moet het poesje nog aan haar wennen.
‘Zo, ik denk dat ik hem maar eens op de grond zet,’ zegt Madelief.
Ze gaat op haar hurken zitten. Ze laat het poesje los. Het diertje
rent vliegensvlug onder de bank. Roos en Madelief gluren naar
hem, met hun gezicht op de grond. Ze zien alleen zijn oogjes lichten.
‘Ga maar lekker spelen Tamara,’ zegt Madelief. ‘En niet de hele
tijd naar me toe komen hoor. Ik heb het veel te druk.’
Ze staat op en trekt Roos mee. ‘Zal je zien,’ zegt ze. ‘Als ik het
maar zég, dan komt hij niet. Hij is heel gehoorzaam.’
Roos knikt. Zo’n gehoorzame poes heeft ze nog nooit gezien.
‘Ga je mee?’ zegt Madelief. ‘Gaan we met de poppen gooien.’
De zevengeitjesklok
‘Als ik groot ben, dan word ik heel dik. Dan lopen ze me niet omver,’
zegt Roos.
Ze zit met Madelief op een zandberg op het bouwterrein voor
de deur.
‘Dan nemen we een huis met een plat dak waar je bovenop kunt
zitten. Dan zie je alles.’
‘Wie we?’ vraagt Madelief.
‘Ik en mijn meneer.’
‘Je mán bedoel je.’
‘Ja. Dan durven we dicht bij het randje. Want mijn man, die is
nergens bang voor. Ik ook niet natuurlijk. Ik ga altijd op de weegschaal.’
‘Nou, ik neem geen man hoor,’ zegt Madelief. ‘Mij niet gezien.
Dan moet je altijd afwassen. Mijn moeder heeft er ook geen.’
Roos knikt. Dat was zo. Zonder man kon het ook.
‘Maar ze wast wel altijd af,’ zegt ze.
‘Logisch,’ antwoordt Madelief. ‘Wie moet het anders doen?’
‘Hij moet wel sterk zijn. Met van die spierballen. Maar niet sterker
dan ik. Dat hoeft niet. Hij moet me niet omduwen, dan word ik
kwaad. Dan moet ie naar kantoor.’
‘Daar ben je toch veel te zwaar voor, om je omver te duwen?’
Roos knikt heftig. ‘Ja, zo zwaar als onze klok.’
‘De klok op de schoorsteen of de zevengeitjesklok?’
‘De zevengeitjesklok.’
‘Oei,’ zegt Madelief. Want die klok is onmenselijk zwaar. Daar
zijn twee verhuismannen aan te pas gekomen om die op z’n plaats
te zetten. Ze kijken naar een bouwvakker die met balken sjouwt.
Hij heeft er wel vijf op zijn schouder. Hij loopt er een beetje krom
van.
‘Misschien,’ zegt Madelief, ‘neem ik toch een man. Want als je
dan verhuist, kan die de klok in de gang zetten.’
Geluiden
‘Wij kunnen altijd horen dat jullie naar de wc gaan,’ zegt Madelief.
‘Dwars door de muur heen.’
‘Nou, wij anders ook,’ zegt Roos boos.
‘Jij zit wel eens te schreeuwen, heel gek te gillen. Net of je bang
bent.’
‘Niks van waar.’
Maar het was wél waar. Roos wilde nooit dat de deur van de wc
dichtging. Je was dan zo alleen boven op dat rare gat waar alles in
verdwijnt. Daarom liet ze liever de deur halfopen. Maar soms, dan
waaide die dicht. En dan kon ze d’r niet bij. Dan riep ze mamma
en die deed de deur weer open.
‘Wij kunnen jullie ook horen hoor. Die trekker van jullie piept en
het stinkt ook, dwars door de muur heen,’ zegt ze.
‘Dat kan niet,’ zegt Madelief. ‘Dat kan lekker niet, want wij gaan
nooit naar de wc.’
Roos weet niet wat ze zeggen moet. Want het was niet waar. Ze
had nog nooit een geluid gehoord uit Madeliefs huis.
‘Wij hebben toevallig een geheime wc. Dat weten alleen mijn
moeder en ik. Als ik nodig moet, dan kijk ik eerst goed om me heen
of niemand het ziet en dan ga ik erheen.’
Roos geeft het op. ‘Zullen we binnen gaan spelen?’ vraagt ze.
‘Bij jou of bij mij?’
‘Bij mij,’ zegt Madelief.
Ze bellen aan. Maar het duurt lang voor er opengedaan wordt.
Ze bellen nóg eens.
‘Ik kom zo,’ klinkt de stem van Madeliefs moeder uit het kleine
raampje naast de deur.
Even later hoort Roos een bekend geluid. ‘Hé,’ zegt ze. ‘’t Is net
of er een wc wordt doorgetrokken.’
Madelief schuift met haar voeten over de stoeptegels. ‘Zeker bij
de buren,’ zegt ze verlegen.
Moedervis
Jan-Willem heeft een grote broer en die heeft een aquarium. Dat is
een moeilijk woord, maar het is dan ook erg mooi. Een glazen bak
vol vissen. Rooie en gele en zwarte. Eén van die vissen is heel dik.
‘Die krijgt jongen,’ zegt Jan-Willem.
Madelief kijkt goed. Ja, die vis heeft wel een erg dikke buik.
‘Misschien zit er wel een tweeling in,’ zegt ze.
‘Nee hoor,’ zegt Jan-Willem. ‘D’r zitten wel twintig jongen in.
Een twintigling.’
‘Zoveel? Dat kan niet!’
‘Echt waar. Maar ze blijven niet allemaal leven.’
‘O,’ zegt Madelief. ‘Waarom dan niet?’
‘Een hele hoop worden opgevreten door de andere vissen.’
‘Hè, jasses, jij vertelt altijd van die nare verhaaltjes!’
Madelief trekt een gezicht alsof ze iets heel vies heeft gegeten.
Jan-Willem durft niks meer te zeggen. Het is ook nooit goed. Maar
Madelief wil er toch meer van weten. ‘Ook door hun eigen moeder?’
vraagt ze.
Jan-Willem kijkt haar aan. Wat moest ie zeggen?
‘Nee, niet door hun eigen moeder,’ zegt hij maar.
‘Dat dacht ik al,’ zegt Madelief tevreden. ‘Moeders eten hun
kinderen niet op.’
‘Zullen we gaan spelen?’ vraagt Jan-Willem.
‘Nee hoor, ik zit best,’ antwoordt Madelief. ‘Waar is vader eigenlijk?’
‘Op kantoor,’ zegt Jan-Willem. Hij kijkt naar buiten.
Madelief lacht. ‘Nee, ik bedoel vader vís,’ grinnikt ze.
Jan-Willem wijst in het aquarium. ‘Die, dat kleintje daar.’
‘Wat gek zeg, die is veel mooier dan dat moedertje,’ zegt Madelief.
‘Prachtige staart.’ Ze bekijkt het visje nog eens goed.
‘Hij heeft wel een gemeen bekkie vind ik,’ gaat ze verder. ‘Die
ziet eruit alsof ie graag z’n eigen kindertjes opeet, de gluiperd.’
‘O nee,’ zegt Jan-Willem, ‘dat is een heel eerlijke vis. Die verdedigt
de jongen juist.’
‘Zo’n klein stumpertje?’ Madelief lacht hem uit. ‘Als die grote
moeder eraan komt, kruipt ie snel in een hoekje, zal je zien. Kom
op, we gaan spelen.’
Voor Jan-Willem het weet is ze al buiten.