Fragment uit Slecht
1
Die spiegel werkt serieus op mijn zenuwen.
Meer dan de helft van de muur tegenover me wordt ingenomen door een grote spiegel, en ik hou niet van spiegels. Daar kunnen die spiegels niks aan doen natuurlijk, dat ligt aan mij, en aan mijn kop. Ik zit al dertien minuten naar die kop te staren, en ik vind hem hoe langer hoe lelijker. Dat van die dertien minuten weet ik omdat er vlak naast de spiegel een klok hangt, een soort stationsklok weet je wel, zo’n grote ronde klok met een rode secondewijzer die vlot langs de cijfertjes glijdt, maar de minutenwijzer blijft telkens een volle minuut hangen en springt dan met een schokje naar het volgende streepje, en daar word je haast gek van, want daardoor gaat de tijd zowel trager als sneller. Die ene minuut waarin je de secondewijzer met je ogen volgt duurt oneindig lang, maar bij elk schokje schrik je je de ziekte, want er is alweer een volle minuut voorbij!
Hoe lang zit ik hier trouwens al? (Hoe Lang is een Chinees: één van de betere moppen van Laurens, ha ha.) Dertien minuten geleden begon ik op die klok te kijken, maar ik zit hier natuurlijk al veel langer. Ik probeer na te denken, de flikken zijn mij thuis komen halen om eh... drie uur – veel later kan het niet geweest zijn, want ik was naar The Fresh Prince of Bel-Air aan het kijken (de vierenvijftigste heruitzending of zo), en dat begint om tien voor drie, en het was nog vóór het eerste reclameblok; en veel eerder kon ook niet, want ik was nog maar net thuisgekomen, ik had mijn fiets tegen de achtergevel gekwakt, was meteen naar boven gerend om een schoon T-shirt en een andere broek aan te trekken, en ik had nog maar net de tv aangezet toen die twee flikken aanbelden. Ik was namelijk nog heel lang met Laurens en Vince in dat weiland blijven overleggen over het verhaal dat we zouden vertellen, en hoe we onze versies moesten laten kloppen en zo, en dat had veel langer geduurd dan ik wilde omdat die twee houten koppen het maar niet snapten! Mijn hartslag was zeker honderdtachtig toen ik de deur opendeed, en ik vond het eigenlijk raar dat de flikken niet merkten hoe hard ik zweette, terwijl ik toch zogezegd gewoon tv aan het kijken was. Anyway. Ze vroegen of er niemand thuis was en ik zei: ‘Ja, zie ik er misschien uit als niemand,’ maar ze lachten niet, ze keken even rond in huis, stopten me in hun combi en brachten me hiernaartoe. Van mijn huis tot aan het politiekantoor is het hooguit tien minuten rijden, en nu wijst de klok 16.13 uur, nee 16.14 uur (schokje). Dus ik ben hier al een klein uur.
Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Mijn zweet is inmiddels allang opgedroogd, alleen onder mijn oksels nog niet helemaal. Een uur, is dat lang of niet lang? Is dat goed of slecht? Is het normaal dat ze me zo lang laten wachten? Zouden ze Vince en Laurens ook zo lang laten wachten? Hebben ze Vince en Laurens wel opgepakt? En zouden ze nu die twee aan het ondervragen zijn, en bewaren ze mij voor het laatst? En wil dat zeggen dat ik de hoofdverdachte ben, of wat wil dat eigenlijk zeggen? – kalm, Nathan, kalm!
Haal adem. Nog eens. Dieper. Tuit je lippen en blaas.
Nog eens. Kijk niet meer naar die klok, kijk naar... o kut, daar heb je mijn kop weer, in die fucking spiegel. Ik haat mijn kop.
Mensen zeggen nochtans dat ik een leuke kop heb. Blond krullend haar en heel lichtblauwe ogen. Een engel en een deugniet, zeggen de mensen, en dan gaan ze lachend met hun hand door mijn haar, brrr! Maar als ik mijn ogen wijd opensper, en ik hou mijn hoofd een beetje scheef, en ik haal mijn breedste glimlach tevoorschijn, en in uiterste nood schud ik daarbij ook nog eens lichtjes met mijn blonde krullen, dan zie ik er naar het schijnt onvoorstelbaar ongelooflijk onweerstaanbaar uit. En dan krijg ik alles van de mensen gedaan. En ik heb het hier niet alleen over kwijlende meisjes van dertien, maar ook over doorgewinterde leraren en bullebakken van surveillanten. (Doorgewinterde flikken, dat valt nog te bezien.)
Maar vandaag kan ík hem in elk geval niet zien, die kop van mij! En dat komt heus niet alleen door de blutsen en de builen. Voorzichtig strijk ik mijn haar naar achter en bekijk de wond aan mijn linkerslaap. Au. Mijn neus is nog altijd een beetje dik, en in mijn nek heb ik ook een paar lelijke krassen. Ik huiver als ik ze zie. Met een ruk trek ik de hals van mijn T-shirt een beetje omhoog. Stom T-shirt ook. Lichtblauw, ja ik weet het. Maar ik had ook zo’n haast om iets aan te trekken, en terecht, want ik zat nog maar net voor de tv of ze hingen al aan de bel. Flikken zijn altijd snel als ze dat vooral niet moeten zijn. En ik moest meteen meekomen en nee, ik mocht niks anders aantrekken, alleen mijn jas mocht ik meenemen, godverdomme, ik voelde me als een Jood die gedeporteerd werd door de nazi’s... Shit. Mijn jas. Waar is mijn jas? Waar heb ik die gelaten? Ik heb hem toch niet... O nee! In de combi. Nu weet ik het weer. Ik heb hem in de combi laten liggen. Nu ja. Er zat niks in de zakken. Toch?
Shit.
Hoe langer ik naar mezelf kijk in die rotspiegel, hoe misselijker ik word.
En ik word nóg misselijker als ik bedenk dat die spiegel niet eens echt een spiegel is! Want die spiegel is eigenlijk een ráám natuurlijk, met half doorzichtig glas, dat weet toch iedereen! En achter die spiegel kan de eerste de beste kutflik naar mij zitten kijken en luisteren zonder dat ik dat in de gaten heb! Of de een of andere ‘kroongetuige’, de moeder van Elke bijvoorbeeld. Of Elke zelf godbetert! Denken die flikken nu echt dat ik achterlijk ben? Hallo? Iedereen van mijn generatie weet dat toch? Iedereen kijkt toch tv? En ik zeker! Inspector Morse, Midsomer Murders, Silent Witness, Witse, Flikken, Baantjer... You name it, I’ve seen it! Ik ben een zeer ervaren flikken-watcher. Jarenlange training, elke donderdag‑ en zaterdagavond. Niet voor mijn plezier, hallo, maar omdat het de moeite loonde. En ook een beetje voor mijn moeder.
‘Toe nu, schat, één keer per week, dat is toch niet te veel gevraagd? Eén keer per week moeder en zoon gezellig naast elkaar op de bank?’
Mama was al zo vaak alleen, het arme mens, zolang ik het mij kan herinneren zat ze met mij alleen aan tafel, blik op de klok en kaarsrechte rug (ze hield zich flink), met recht tegenover haar een bord dat koud werd. Papa moest overwerken. En dat werd er niet beter op toen papa vorig jaar aankondigde dat hij ‘rust’ nodig had en voor een tijdje in een flat in de stad ging wonen. Mijn moeder viel totaal uit de lucht, ik iets minder. Maar dat kwam misschien doordat ik papa kort daarvoor in de stad had gezien in gezelschap van een blonde stoot met benen tot onder haar oksels. Ik had meteen een heel concreet beeld van de ‘rust’ die mijn vader bedoelde. Ik was ook lichtjes geschokt door zijn gebrek aan goede smaak: zijn del leek wel rechtstreeks uit Temptation Island weggeplukt. Maar dat vertelde ik niet tegen mijn moeder, ben je gek: ouders zijn groot genoeg om zulke dingen zelf op te lossen. Maar sinds die dag heb ik wel een beetje te doen met mama, en ik besloot om af en toe wat extra lief te zijn voor haar.
Bovendien wist je maar nooit wat het opbracht: eenzame vrouwen hebben soms heel wat over voor een beetje gezelschap.
En dus gaf ik meestal toe. Voor de vorm sputterde ik wat tegen, maar niet te hard.
‘Mam, moet dat nu echt, die idiote Morse? Die is zó saai!’
Ze klopte met vlakke hand op het plekje naast haar op de bank. ‘Kom, Natty, kom nu, jongen...’
Natty noemt ze me. Nathan is al erg, maar Natty, aargh! Wat bezielt die ouders toch! Als je een kind een naam geeft, noem het dan ook zo! Als ik ooit een zoon heb en ik noem hem Adam, dan zeg ik toch ook niet Dammy!
‘Maar mam, ik wou vanavond met Vince en Laurens...’
‘Na Morse mag je weg, echt waar, en extra lang, dat beloof ik je...’
‘Tot hoe laat dan?’
‘Zullen we zeggen tot twee uur?’
‘Mahám!’
‘Oké, eh...’
‘Vince en Laurens mogen tot vier uur.’
‘Vier uur... eh, is dat echt... ach... Is dat echt waar? Vier uur? Goh...’
‘Echt waar, mam! Vier uur is echt heel normaal tegenwoordig!’
Ik sperde m’n ogen zo wijd mogelijk open, en hield mijn hoofd een beetje scheef. En toen dat niet meteen hielp schudde ik lichtjes met mijn blonde krullen. Arme mama: ze had geen schijn van kans.
‘Goh, echt...? Nou ja... Jij zult het wel weten, zeker... Vier uur... Ach... Tja... Goed dan!... Maar geen minuut later, hoor je me!’
Bij die laatste zin deed ze een poging om streng te kijken.
‘Dankjewel, mam! Beloofd, mama! Echt geen minuut later, mama! Jij bent echt de beste mama ter wereld!’
En vervolgens liet ik me met een gespeelde, maar perfect gedoseerde zucht naast haar op de bank ploffen, en ze woelde met haar vingers door mijn blonde haar. Half weerbarstig trok ik mijn kop terug – dat hoorde zo, voor een min of meer normale puber, en het had ook het beste effect, wist ik uit ervaring – en ik onderging Morse, Midsomer Murders, Flikken of, nog debieler, Baantjer. Elke donderdag en zaterdag, tientallen afleveringen.
(En tientallen scènes in verhoorkamers, mét half doorzichtige spiegels!)
Goed van mij, toch? Voorbeeldig zoontje.
En daarna mocht ik weg, tot vier uur. ‘En geen minuut later!’
De week daarna sperde ik nogmaals mijn grote blauwe ogen open en ik kreeg vijf euro extra zakgeld per week.