Fragment uit De gelukvinder
comedy
Ik wilde chirurg worden.
Mijn moeder zei altijd: ‘Onze Hamayun gaat de wereld genezen.’ En dan knikte ik, en ik keek naar mijn handen. Ik dacht: deze handen zullen ooit over de buik van iemand met buikpijn strijken, en wég is de buikpijn. Deze handen, dacht ik, krijgen dat helemaal uit zichzelf voor elkaar. Deze handen zullen prachtige recepten schrijven, op van die kleine doktersbriefjes.
Dus toen vorig jaar onze decaan zei: ‘Hamayun, je mag een middagje op stage naar het mmc. Dan kun je zien of het iets voor je is,’ was ik op slag zenuwachtig.
Een paar dagen later stond ik in het ziekenhuis door een onewayscreen naar een operatie te kijken. De chirurg van dienst trok zijn handschoentjes strak. Hij pakte een scalpel en stak toe. Er siepelde één straaltje bloed uit het uitgespaarde stukje huid van de patiënt. Eén zielig straaltje was het, niet meer – maar ik lag al op de grond. Flauwgevallen.
Toen ik thuiskwam wist iedereen dat ik tegen de vlakte was gegaan. Dat heb je met vrienden die vrienden kennen, en met een broer die zijn mond niet kan houden. Mijn moeder keek me lang en bezorgd aan en riep: ‘Allaaaaah!’
Ik vroeg: ‘Wat is er, wat is er?’
‘Hamayun-jaan,’ zei ze, en ze kwam met uitgestoken armen op me af, ‘hoe is het met je hoofd?’
‘Madar, wat bedoelt u?’
‘Je was toch omgevallen?’
Het lag voor de hand dat ik voortaan op school door het leven zou moeten als Hamayun met de Slappe Knieën. Ik zat nog maar net in havo 4 en ik had nog geen bijnaam.
Maar het liep anders, want twee dagen later hadden we een excursie.
We gingen met de hele klas naar Utrecht. Aan het eind van de middag brachten de leraren ons naar een gracht. Ze hadden waterfietsen gehuurd.
Het was een warme septemberdag en ik dobberde voorop met Sigmar, Guido en Raed. We hadden het over superhelden, en ik deed Spiderman na. Ik liet zien hoe hij zijn web uitwerpt. Hoe hij klimt. Hoe hij een meisje opvangt. Guido ging staan en viel bijna achterover. ‘Gek,’ riep ik, ‘gék.’
Ik hou niet van water en ik was bang dat we omkiepten. Raed begon het liedje uit Titanic te neuriën.
Maar ten slotte zei ik: ‘En nu de grootste superster. De belangrijkste! De beste!’ En ik deed de scène na die ik uit mijn hoofd kende: die waarin Mister Bean in de rij staat om de Engelse koningin te ontmoeten. Opeens wil de rits van zijn broek niet meer dicht. Mister Bean sjort en sjort, en uiteindelijk wordt hij zo zenuwachtig dat hij met een geweldige buiging de koningin knock-out slaat.
Wist ik veel dat alle andere waterfietsen inmiddels naast ons waren komen drijven. En dat de hardste lach van mevrouw Levanti kwam, mijn nieuwe lerares Nederlands.
Zodra we weer op de kant stonden tikte ze op mijn schouder en zei: ‘Hamayun, mag ik je wat vragen? Ik organiseer de toneelavonden en toen ik jou daarnet zo bezig zag, dacht ik...’
Ze nodigde me uit voor de schooltheatergroep.
Dat was natuurlijk ontzettend aardig van haar, maar het bracht me wel in verlegenheid. Ja, ik had op mijn vorige school al in verschillende toneelstukken gespeeld. Maar ik wilde op deze locatie eigenlijk nog even rustig aan doen. Ik wilde niet meteen opvallen.
Toch begon ik door haar vraag terug te denken aan de repetities in de kantine, die na schooltijd begonnen en vaak duurden tot de avond. Waren dat niet de beste uren van mijn leven geweest? Ik was verslaafd geraakt aan het podium. Aan de tekstboeken ook, en aan mijn tegenspeelsters.
En was het niet zo dat ik arts wilde worden, alleen maar omdat ik naar al die films uit India had gekeken? Je weet wel, met van die Bollywooddokters: ze glimlachen naar een patiënt, ze doen een dansje en flash flash, iedereen is beter.
Ik had het als reserveplan gehad. Als plan B. Theater maken, acteur zijn, of regisseur. Of nog liever: filmer.
Maar ik moest het inmiddels misschien maar aan mezelf toe gaan geven: eigenlijk was dat Plan B dus al een tijdje mijn Plan A.
Nog diezelfde week zei ik ja tegen mevrouw Levanti, en ik veranderde mijn profiel in Cultuur en Maatschappij. Ik liet mijn slechtste vakken vallen, natuur- en scheikunde, wat nogal een opluchting was.
En het was ook een opluchting dat ze me in de klas nu, ondanks mijn flauwvallen, geen Duikelaar noemden. Of Mister Boink.
Nee, mijn nieuwe bijnaam vond ik wel oké: Mister Bean.
Toen ik binnenkwam bij de eerste toneelafspraak schrok ik. Er zaten nogal wat brugklassers in het lokaal van mevrouw Levanti. Ik heb niets tegen brugklassers, maar deze waren nauwelijks ouder dan mijn broertje.
Van mijn klasgenoten was alleen Raed meegekomen. Uit vriendschap. En vriendschap, dat weet iedereen, moet je niet te erg op de proef stellen.
Raed en ik liepen die eerste keer dus fronsend weg, en misschien was het daarom dat mevrouw Levanti ons terugriep. ‘Sorry,’ zei ze, toen we bij haar lessenaar kwamen, ‘ze zijn wel erg jong allemaal. Sorry.’
Mevrouw Levanti is een lerares die weet hoe ze moet luisteren. Dat is bijzonder. De meeste docenten zijn vriendelijk, ook op deze school, maar normaal gesproken horen ze liever hun eigen stem dan die van een ander. Mevrouw Levanti is anders. Dus toen Raed en ik toch ook maar naar de tweede bijeenkomst waren gekomen, en toen we daarna met nog meer spijt wegliepen dan de eerste keer, begreep ze precies wat we wilden zeggen.
‘De Toverfluit,’ zei ik, ‘ja, dat is natuurlijk mooie muziek. Mozart en zo. Maar juf, het is een sprookje! En het gaat over pa-pa-pa-papageno en dan moeten we zeker van die, van die kléren aan?’
Ik had op mijn vorige school genoeg vreemde dingen gedaan op toneel. Ik had een Griekse god gespeeld, en Romeo, en in de les een keertje een middeleeuwse ridder, maar De Toverfluit op een nieuwe school, dat was comedy van het verkeerde soort.
Raed wilde al helemaal niet meedoen. Hij schoof tijdens het toneeluur zijn capuchon over zijn ogen en siste de hele tijd tussen zijn tanden: ‘Ik kill je, Hamu, ik kill je als ik hier nog een keer heen moet. Ik zweer het, ik kill je waar je bij staat.’
En dat begreep mevrouw Levanti dus.
‘Goed,’ zei ze, ‘ik dacht zo: ik doe Mozart met de kleintjes, en dan maken jullie een eigen stuk. Wat vind je daarvan, Hamayun?’
Ze sprak mijn naam zo heel duidelijk uit, alsof ze er zeker van wilde zijn dat ik haar had gehoord.
Ik knikte.
‘O, dat is geweldig!’ zei ze. ‘Wat denk je, krijgen we een groepje bij elkaar?’
Na twee jaar op de kleine locatie voor anderstaligen, waar ik iedereen kende en waar iedereen mij kende, was alles op de havo zo gróót. Er waren veel leraren, veel klasgenoten en veel onbekende meisjes in de aula.
Er waren meer proefwerken, en meer proefwerkweken. En er was meer sport: Raed en Guido stonden erop dat ik bij het basketbalteam kwam.
Er was zoveel te zien en zoveel te doen, en dus duurde het even voordat ik een paar toneelideeën op kon schrijven. En nog langer duurde het om een groepje spelers bij elkaar te krijgen. Raed moest meedoen natuurlijk, hij had geen keus. Mevrouw Levanti trommelde een paar nieuwelingen op, en ikzelf ging oude vrienden van mijn vorige stukken langs. De meeste van hen zaten inmiddels ook op de havo.
Ergens in oktober zaten we voor het eerst bij elkaar. Ik schrok me rot, want mevrouw Levanti gaf me al meteen de leiding. ‘Hamayun, wat zullen we doen. Heb jij wat voorbereid?’
Ik had geen idee. Ik zei: ‘Misschien kunnen we wat improviseren?’
Dat werd een chaos. We speelden achtervolginkje. We deden een soap na. We wilden clips maken, en misschien wel een hele politieserie. Of iets met de verborgen camera? We hielden nog een paar bijeenkomsten, maar elke keer was er wel weer een ander plan.
Uiteindelijk hadden we begin december nog steeds niets concreets. En dus wilde mevrouw Levanti met me praten. ‘Hamayun,’ zei ze, ‘dit werkt niet. Het lijkt me beter als we de groep even stilzetten. Misschien moet jij nu eerst zelf iets bedenken. En als je een voorstel hebt roepen we de anderen er weer bij. Beperk je tot één onderwerp. Heb je al een idee wat je het belangrijkst vindt? Anders heb ik wel een suggestie. Wil je dat ik die nu al hardop zeg? Of beslis je liever zelf?’
Natuurlijk wilde ik weten wat ze dacht. Mevrouw Levanti had verstand van toneel, en bovendien was zij de eerste en de enige op de havo aan wie ik iets over mijn situatie had verteld.
Eh ja... Mijn situatie.
Daar moest het dus over gaan.
Vond mevrouw Levanti.
Ze zei: ‘Niemand hier op school is echt op de hoogte. Niemand weet wat er met jonge mensen in ons land gebeurt. We zien een flard in het nieuws, we horen de harde taal van politici. Maar jij kent het echte verhaal. Waarom zou je dat niet vertellen?’
‘Mevrouw Levanti!’ wilde ik roepen. ‘Ik wil toneelspelen! Ik wil liever iemand anders zijn dan mezelf! Mister Bean of zo, dat is toch veel grappiger?’
Maar ik zei niks. Ik lachte naar mevrouw Levanti, en ik zei dat ik erover na zou denken.
Ik voelde er niks voor. Ik vond onze school te groot. Er liepen zoveel mensen met ogen rond, en al die ogen hoefden de echte Hamayun niet te zien, met zijn echte geschiedenis, en zijn echte dromen en zijn echte hoop.
Maar net toen ik het hele toneelproject dan maar af wilde blazen gebeurde er van alles.
We moesten wéér naar Ter Apel.
En in Ter Apel kregen we wéér geen goed nieuws.
En ik keek een avond lang naar een website met filmpjes over vluchtelingenkinderen, en ik huilde de hele nacht.
De ochtend erna dacht ik: welke dromen? Welke hoop? Mevrouw Levanti heeft gelijk – niemand is echt op de hoogte.
En toen wist ik het zeker. Natuurlijk moest ik mijn verhaal vertellen.
Mijn echte verhaal.
Ik meldde me ziek en ging op bed liggen.
En ze schoten gewoon tevoorschijn in mijn hoofd: de herinneringen.
De dvd’tjes.