Fragment uit De Wilde Kippen Club: De hemel op aarde
De zon scheen in Sprotjes gezicht toen ze de school uit kwam. Het was een prachtige herfstdag. Het grote schoolplein zag rood en geel van de afgevallen bladeren en de lucht smaakte warm, alsof de zomer nog aan de gebouwen kleefde. Maar Sprotje beende met zo’n boos gezicht naar haar fiets dat twee brugklassers geschrokken aan de kant gingen. Zon! Herfstbladeren! dacht ze vol minachting, terwijl ze haar rugzak onder haar snelbinders stopte. Ik wil regen, bij bakken, en een grijze lucht. Bij zo’n pechdag past geen mooi weer. ‘Tot morgen!’ riep iemand tegen haar, maar ze keek niet op of om. Zonder iets te zeggen stapte ze op haar fiets en ging op weg naar huis.
‘Een drie min!’ mompelde ze toen ze haar fiets de hal van het flatgebouw in reed. ‘Nou, het is in elk geval beter dan de vorige keer. Hoewel een twee plus aardiger klinkt.’ Moe maakte ze de deur van hun flat open en hing haar jas aan de kapstok.
‘Hè hè, eindelijk!’ riep haar moeder vanuit de keuken. ‘Er staat hier een fantastisch feestmaal op je te wachten en jij doet er een eeuw over om van school naar huis te komen. Wat was er aan de hand?’
‘O, niets hoor!’ antwoordde Sprotje. Wat moest ze anders zeggen? Met een drie heb je niet zo’n haast om thuis te komen, toch? Haar moeder wist niets van de twee plus en over die drie min zou Sprotje ook niets zeggen. Want anders was het uit met de bijeenkomsten van de Wilde Kippen, met de gezellige middagen in hun clubhuis en alles wat leuk was in het leven. In plaats daarvan zou Sprotje weer in gevecht moeten met die duffe bijlesleraar Engels. Nee, er was nog geen reden tot paniek, helemaal niet. Dit waren missers, gewoon twee missers. Als ze dat maar vaak genoeg tegen zichzelf zei, zou ze het op een dag wel gaan geloven.
Voor Sprotje naar de keuken ging bleef ze nog heel even voor de spiegel staan om een lachje op haar gezicht te toveren. Het viel niet al te overtuigend uit, maar dat leek haar moeder niet op te vallen.
‘Ik denk dat ik het nog even in de oven zet,’ zei ze toen Sprotje bij haar aan tafel ging zitten. ‘Of hou je van koude moussaka?’
Sprotje staarde ongelovig naar het heerlijks op haar bord. ‘Geen probleem,’ mompelde ze. ‘Je hebt eten bij de Griek besteld? Tussen de middag?’
‘Ja, waarom niet? We leven al bijna een week op brood, geloof ik.’ Haar moeder frunnikte verlegen aan het tafelkleed. Het was echt waar, op de keukentafel lag een tafelkleed. Sprotje wist niet eens dat ze zo’n ding hadden. Ongerust fronste ze haar voorhoofd.
‘Mam, wat is er aan de hand?’ vroeg ze.
De glimlach week van haar moeders gezicht.
‘Wat zou er aan de hand moeten zijn? Ik dacht, we maken
het weer eens gezellig samen. Omdat ik de hele week zo weinig tijd had.’
Sprotje prikte in haar moussaka. Ze geloofde er geen woord van.
Ze hadden nooit veel tijd voor elkaar gehad. Zolang Sprotje zich kon herinneren werkte haar moeder als taxichauffeur. Om geld te verdienen, want Sprotjes vader had de benen genomen toen Sprotje net zes maanden oud was. Toch hadden ze het samen altijd gezellig gehad, heel gezellig zelfs. Maar toen was die betweter op het toneel verschenen. Het was nog geen halfjaar geleden, en sindsdien was alles anders.
Vroeger lag Sprotje elke zondagochtend bij haar moeder in bed. Ze ontbeten samen, zetten de televisie aan het voeteneinde en keken naar oude films. Maar sinds die vent doodleuk onder de dekens was gekropen, meed Sprotje de slaapkamer van haar moeder alsof er ratelslangen zaten.
‘Wil je een dolma?’
Sprotje schudde haar hoofd en verloor haar moeder niet uit het oog. Die ontweek Sprotjes blik en werd onmiddellijk knalrood. Juist.
‘Mam, wat is er aan de hand?’ vroeg Sprotje nog een keer. ‘Je hebt me zeker iets vervelends te vertellen, hè? Heb je oma soms weer beloofd dat ik haar in de tuin kom helpen? Ik heb geen tijd! We hebben bergen huiswerk!’
‘Ach welnee, het heeft niets met oma te maken,’ antwoordde haar moeder. ‘Eet, anders wordt echt alles koud.’ Maar zelf at ze ook niet, ze prikte alleen afwezig in haar salade.
Oma Bergman, Sprotjes grootmoeder van moederskant, was niet bepaald wat je noemt een lieve oma. Maar als Sprotjes moeder op de taxi zat, moest Sprotje soms gewoon naar haar oma. Ook al liet die haar om de haverklap een hele middag ploeteren in de moestuin. En dat terwijl Sprotje veel liever met oma’s hond uit wandelen ging. Vorig jaar had Sprotje nog vijftien kippen van de slagersbijl gered. Maar dat is een ander verhaal.
Waarom was er zomaar op een middag eten van de Griek?
Sprotje haalde diep adem. ‘Mam, zeg alsjeblieft niet dat die betweter hier intrekt!’
‘Hoe kom je daar nou bij.’ Haar moeder legde geïrriteerd haar vork neer. ‘En noem hem niet altijd “die betweter”.’
‘Hij is hij toch ook een betweter!’
‘Alleen omdat hij het gewaagd heeft tegen je te zeggen dat je margarine met twee a’s spelt?’
‘Wie boodschappenbriefjes op spelfouten controleert is een betweter!’ Sprotje was steeds harder gaan praten, en haar moeder had tranen in haar ogen.
‘Hij is altijd nog tien keer beter dan die kerels die je vriendinnen me op mijn dak hebben gestuurd!’ snufte ze. Het was al bijna een jaar geleden dat de Wilde Kippen op het idee waren gekomen om voor Sprotjes moeder een contactadvertentie te zetten, maar ze nam het ze nog steeds kwalijk. Proestend snoot ze haar neus.
‘Je mascara is doorgelopen,’ mompelde Sprotje. ‘Oké, ik zal hem geen betweter meer noemen. Kippenerewoord. Maar vertel jij dan eindelijk eens wat de reden is van dit...’ ze nam een hap koude moussaka, ‘...feestmaal. Behalve dat je niet kunt koken.’
Haar moeder pakte het servet dat naast haar bord lag en depte voorzichtig haar ogen. ‘Ik ben aan vakantie toe,’ mompelde ze zonder Sprotje aan te kijken. ‘Ik ben al zeker drie jaar niet meer weg geweest. Die reis naar Amerika in het voorjaar is niets geworden en van de zomer wilde jij niet bij je vriendinnen weg. Maar nu heb je straks herfstvakantie en...’ ze haperde, ‘...nou ja, nu dachten we, we kunnen wel eens een paar dagen naar zee gaan.’
Sprotje fronste haar voorhoofd. ‘We? Wat bedoel je met “we”? Wij en die...’ Ze slikte het woord nog net op tijd in. ‘Wij en jouw... jouw snoezepoesje? Of hoe je hem ook noemt.’
Sprotjes moeder bestudeerde het tafelkleed. Haar vork. Haar nagels. Ze keek alleen niet naar Sprotje. ‘Ruben en ik dachten...’ begon ze, maar ze stokte en begon weer met haar vork te spelen. ‘We dachten, we zouden graag een keer... o, verdomme!’ Ze gooide haar vork zo hard op haar bord dat hij midden in de tzatziki viel. ‘Mijn god, ik doe net alsof ik je een misdaad moet opbiechten!’ riep ze. ‘Terwijl het helemaal niets voorstelt.’
‘Wat stelt niets voor?’ Sprotje wist dat het antwoord verschrikkelijk zou zijn. Ze wist het gewoon. Ze kreeg geen hap meer door haar keel.
‘We willen zo graag een keertje met z’n tweeën weg,’ zei haar moeder, en ze keek naar het plafond alsof ze het hart van de lamp brak, en niet dat van haar overdonderde dochter. ‘Alleen. Zonder kinderen.’
Dat was eruit.
Sprotje voelde dat haar mondhoeken begonnen te trillen. Zo zat het dus. ‘We’ betekende niet meer: mam en Sprotje.
‘We’ betekende nu: mam en de betweter. Withete woede welde in haar op, verspreidde zich tot Sprotje het in elke teen en elke vinger kon voelen. Ze klampte zich vast aan het tafelkleed, dat afgezaagde bloemetjestafelkleed, en had het ’t liefst van de tafel gerukt, zodat al dat huichelachtige ‘laten we het weer eens gezellig maken’-eten op de grond belandde.
Sprotje merkte dat haar moeder haar bezorgd aankeek.
‘Zonder kinderen? Wat voor kinderen hebben jullie dan nog meer op je nek, behalve mij? Is er soms nog iets wat ik zou moeten weten?’
‘Charlotte, hou op!’ Haar moeder werd net zo bleek als de servetten die ze naast de borden had gelegd. Servetten, die gebruikten ze anders ook nooit. Sprotje hield nog steeds het tafelkleed vast. ‘Voor jou heb ik natuurlijk ook iets bedacht,’ hoorde ze haar moeder zeggen. Sprotjes hoofd voelde leeg aan. En haar hart helemaal.
‘Een vriendin van me heeft een manege, je kent haar niet, ik heb met haar op school gezeten...’ Haar moeder praatte zo snel dat ze bijna over haar tong struikelde. ‘Ze heeft die manege al een paar jaar, ik ben er nooit aan toe gekomen eens bij haar langs te gaan, ik ben bang voor paarden, dat weet je. Maar het moet daar echt heel mooi zijn. Hoe dan ook, ik heb haar gebeld en ze heeft in de herfstvakantie nog plaats en het is ook helemaal niet zo duur. Daarom...’ Sprotje hoorde hoe ze ademhaalde, ‘...heb ik je voor die week meteen maar opgegeven.’