Fragment uit Alles is weg
Ahoy
Het is feest. En iedereen gaat mee.
Fae, Billy, Patrique, Jason, Gonneke. En Mark.
Dat is één auto vol.
Er is nog veel meer feest, dat gaat in de tweede auto. Mo,Trúc, Dolores en haar vriend, die een rijbewijs heeft.
De derde auto is ook al vol feest. Charley, Dammetje, Prissila, Maarith en Rafael. Hij is net geslaagd voor zijn rijexamen.
Met zijn allen naar de Red Hot Chili Peppers in Rotterdam.
Het dak gaat eraf.
Drie auto’s vol vrienden uit Baarn.
In de auto van Mark is het toch een beetje krap. Voorbij Utrecht wordt er gestopt. Roken, biertje, pissen. Daarna gaat Billy in de derde auto.
Onderweg verliezen ze elkaar uit het oog; de een scheurt harder dan de ander.
Maar dat maakt niet uit. Op het parkeerterrein van Ahoy worden ze door verkeersregelaars naar een parkeerplek gewezen. Met vijftien mobiele telefoons vinden ze elkaar voor vak Zuid, de F-side.
Vanuit het immense gebouw is de muziek al te horen. Het wordt te gek, vanavond.
Fae steekt een sigaret op en kijkt lachend naar haar vrienden, die in een kring om haar heen staan.
En naar Mark.
Haar nieuwe liefje.
Ze trekt eens flink aan haar sigaret. Achter haar is de rij snel gegroeid, het hele parkeerterrein staat vol. Hoeveel bezoekers kunnen er eigenlijk in zo’n hal?
Langzaam schuifelt iedereen naar de ingang van de hal.
Bij de deur wordt Charley apart genomen. Hij wordt gefouilleerd. Ze moeten altijd de neger hebben. Maar hij lacht erom en knikt de politieagente vriendelijk toe.
Als er iemand geen boef is, is het Charley.
De volgende. Fae natuurlijk.
Zij wordt ook gefouilleerd.
Heeft zij weer.
Veertien koppen zijn op haar gericht en lachen haar uit. Zou ze een wapen bij zich hebben, een vlindermes misschien?
Fae? Een mes? Bij het idee piest ze al in haar broek.
Opgewonden lopen ze door de nauwe gang tot in de hal.
Het is zo goed als donker binnen, het decor en de instrumenten op het podium zijn nauwelijks te zien. Het kabaal van voetstappen op de tribunes overstemt de geluiden van de muziek die alvast uit de boxen schalt, en van de pratende mensen. Mannen in nette pakken en met een microfoon voor hun mond begeleiden de mensen naar hun plaatsen.
Bij vak F staat ook een man met een microfoontje. Hij controleert de kaarten; met een zaklamp schijnt hij zichzelf bij terwijl hij hardop de nummers van de stoelen leest.
Daarboven, wijst hij. Helemaal in de nok.
Met zijn allen stampen de vijftien vrienden naar boven.
Hoger en hoger.
Fae hijgt ervan. Tenslotte beklimt ze niet elke dag een metershoge trap.
Eindelijk is ze boven. Ze staat stil, moet op adem komen, wacht totdat anderen voor haar hun plaats hebben gevonden.
Ze draait zich om en kijkt in de donkere diepte.
Plotseling begint alles om haar heen te draaien. Fae ziet haar vrienden niet meer, de tribune is weg. Het kabaal verdwijnt.
Voor haar is een groot donker gat.
Ze staat op de brug, tegen de reling geleund. En daar gaat hij.
Razendsnel valt hij naar beneden. Hij kijkt haar aan, terwijl hij nog sneller valt en Fae ver vooroverbuigt, maar ze kan hem niet meer pakken. Hij blijft haar aankijken. Uit zijn ogen spreekt één wanhopige vraag: Fae, jij redt me toch?
Hij valt dieper.
Het gaat zo snel.
Nog dieper. Steeds verder weg.
Met een onhoorbare plons valt hij in het water.
Er komen luchtbellen, tien, vijftien.
Dan is het water weer rimpelloos, stil en zwart.
Faes keel klemt zich dicht.
Het donkere water vult de ruimte, slurpt haar op.
Haar oren suizen. Ze krijgt geen adem meer. Alles loopt door elkaar, de stemmen, de diepte, zijn ogen, iemand die haar roept. Iemand die haar opvangt. Haar dunne slappe lijf.
‘Fae, wat is er?’
Ze kan nog maar één woord zeggen: ‘Muis.’
Muis
‘Kom van die bedden af, Muis!’
‘Ik ga niet naar school!’
‘Kom nou.’
‘Nee!’
‘Je moet.’
‘Maar ik ga niet.’
Muis springt door, vanaf een hoog bed naar het bed van zijn tweelingbroer. In de deuropening staat zijn moeder, met Muis’ broer aan haar hand. Patrique is keurig gekleed en zijn haren staan stijf van de gel.
‘Hou op!’ zegt zijn moeder. ‘Je moet naar school, het is bijna half negen. Je kunt toch niet te laat komen op je eerste schooldag.’
‘Maar ik ga niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ze binden je vast.’
‘Wie zegt dat?’
‘Billy, hij weet het, hij zit al op school.’
‘Muis, dat is niet waar, dat kan hij niet verteld hebben.’
‘Wel. En je moet precies doen wat de juf zegt.’
‘Ja natuurlijk. Kom nu van die bedden af.’
‘Ga maar alleen met Patrique. Ik ga niet naar school, nooit!’
Plotseling laat zijn moeder Patriques hand los en stapt de kamer in. Muis springt recht in haar armen. Ze vangt hem op, hij slaat zijn armen om haar nek en klemt zijn benen om haar middel.
‘Waar ben je dan zo bang voor, mijn Muisie?’ fluistert ze.
Muis duwt zijn neus in het kuiltje van haar sleutelbeen. ‘Dat ik moet plakken,’ mompelt hij.
Met een hand ondersteunt ze Muis, met haar andere hand wrijft ze over zijn haren. ‘Zal ik vragen of je niet hoeft te plakken?’ fluistert ze in zijn oor.
Muis knikt, terwijl zijn hoofd verstopt blijft in de hals van zijn moeder.
‘Zal ik vragen of je naast Fae mag zitten, die ken je tenminste.’
Weer knikt Muis, net op het moment dat zijn broertje vanuit de deuropening roept: ‘Ik zit al naast Fae.’
Plotseling hangt Muis niet meer om de hals van zijn moeder, maar rollen de twee jongens vechtend door de kamer.
‘Ik zit naast Fae!’ roepen ze door elkaar heen. ‘Ik ben op Fae!’
‘Niet, ik ben op Fae.’
‘Ze is lekker toch op mij.’
Hun moeder aarzelt geen moment. Ze grijpt de twee jongens bij een bovenarm en trekt ze overeind.
‘Hou op,’ zegt ze streng. ‘Jullie zijn vier jaar. Waar hebben jullie het over? “Op Fae, op Fae.” Fae is gewoon het zusje van Billy en Billy is jouw vriend, Muis. Zo staan de zaken. Net vier jaar, en dan al verliefd op het zusje van je vriend. Kom, we gaan!’
Alle kinderen zitten al op hun plek als Patrique en Muis de klas in komen.
‘Hoi,’ zegt Patrique tegen de juf. Zijn bolle wangen glimmen. Stralend kijkt hij om zich heen en zwaait naar Fae, die achter in de klas zit.
Muis blijft dicht bij zijn moeder staan. Met een vinger
in zijn mond bekijkt hij de kinderen uit de klas, terwijl hij ondertussen de rok van zijn moeder omhoog friemelt.
De juffrouw knielt voor hem neer en kijkt hem vriendelijk aan.
‘Hoe heet je?’
‘Muis,’ zegt Muis zacht.
‘Muis?’ vraagt de juf en kijkt verbaasd naar zijn moeder.
Zij schudt haar hoofd. ‘Hij heet Maurice, maar dat kon Patrique vroeger niet zeggen, hij maakte er Mois van. En omdat het zo’n kleintje bleef, werd het vanzelf Muis. Mijn Muisie.’
‘Ik ben juf Suzette,’ antwoordt de juf. ‘Of juf Susie,’ voegt ze er lachend aan toe. ‘Waar wil je zitten?’
Muis trekt zijn schouders op. ‘Ik wil niet,’ zegt hij.
‘Jawel.’
‘Nee, ik ga niet naar school.’
De juf gaat even staan om haar stijf geworden knieën te strekken. ‘Ken je hier iemand?’ vraagt ze lief.
Muis knikt. ‘Fae.’
‘Wil je naast haar zitten?’
Muis knikt, maar verzet geen stap. Totdat hij ziet dat zijn broer naar de lege plek naast Fae wandelt. Snel laat Muis zijn moeder los, loopt de klas in, duwt zijn broer aan de kant, en ploft naast Fae op de lege stoel.
Muis zit. Hij kijkt naar zijn vriendinnetje. Ze luistert met haar handen onder haar kin naar de kinderen die om de beurt hun naam mogen zeggen.
Maarith is Maarith, Jason is Jason, Dolores is Dolores en Trúc is Trúc.
‘Trúc?’ roept Dolores brutaal.
‘Ja, Trúc, dat is een naam uit Vietnam. Zijn vader en moeder zijn hier vroeger met een boot gekomen.’