Fragment uit Abeltje
hoofdstuk 1
Het warenhuis knots
Je bent misschien wel eens in Middelum geweest. Middelum aan de IJssel, bedoel ik, waar de poetsdoekenfabriek is. Waar al die rode bakstenen huisjes langs de blauwe rivier staan en waar je al van verre die drie grote olmenbomen ziet op de dijk. En waar Abeltje woont, Abeltje Roef, de zoon van mevrouw Roef, die dat bloemenwinkeltje heeft in de Kerkstraat.
Wel, het doet er ook niet toe of je er ooit geweest bent, het gaat hier hoofdzakelijk om diezelfde Abeltje; feitelijk draait het hele verhaal om Abeltje.
Toen hij van school kwam, moest hij iets gaan doen. Dat spreekt; dat is nu eenmaal zo, jongens moeten iets gaan doen en moeder Roef had het er de hele dag over. ‘Wat wil je nou eigenlijk, Abeltje?’ vroeg ze. ‘Wil je in de barbierszaak komen van buurman Jaspers, als jongste bediende, en kapper worden met een kuif en een kam achter je oor?’
‘Nee,’ zei Abeltje.
‘Ja, ’t liefste had ik...’ zei moeder Roef, ‘’t liefste had ik, dat je hier in de zaak kwam. Ik sta voor alles alleen en je zou zo prachtig de bloemstukken kunnen wegbrengen... Maar,’ ging ze haastig door, ‘nee, Abeltje, ik weet wel, dat het gekheid is. Je hebt pas nog die aronskelk van vier gulden negentig in de modder laten vallen en die grote azalea voor de burgemeester heb je midden op de dijk gezet en daar laten staan. Je hebt
geen gevoel voor bloemen en je hebt geen gevoel voor zaken en je hebt geen gevoel voor bloemenzaken. Het hoeft dus niet. Maar je moet toch iets doen? Wil je bij een garage in de leer, Abeltje? Lekker aan auto’s prutsen?’
‘Mmmmm, ’k weet niet...’ zei Abeltje.
De waarheid was dat Abeltje iedere dag een poosje boven op de dijk stond bij de drie olmen en keek naar de grote platte schepen die langs voeren. Hij keek over de glinsterende zonnige rivier, die met een grote bocht in de weilanden verdween... daarachter... ver weg... was de zee. Daarachter was de hele wijde wereld. Daarachter lagen al die wonderlijke vreemde landen, waar je naartoe zou kunnen varen. Abeltje wou ’t liefste weg... de zee op, de vrijheid in... van alles beleven! Van alles zien!! Maar dat willen alle jongens en dat was dus niets bijzonders.
Nu moet je weten dat er in Middelum iets gaande was. Het was zo groot geworden, de laatste tien jaar, dat Middelum, het werd een echte stad, vooral door die poetsdoekenfabriek. Er reden al drie stadsbussen, bus F, bus L en bus Q. Er waren twee bioscopen en een groot café, de Kroon, met een terras en met muziek. En nu, het is haast niet te geloven, maar nu kwam er een warenhuis. Het warenhuis knots. Zo’n groot warenhuis waar je van alles kunt kopen: zakdoeken en schrijfmachines en kokoskoeken en veiligheidsmatrassen en steunzolen en... nou ja... alles. Een warenhuis met vier etages, behalve dan de begane grond en met echte draaideuren en grote etalage-ruiten en met bovenop neonletters die rood licht geven: knots.
Bijna een jaar hadden ze eraan gebouwd en nu was het dan klaar. Tjonge, wat een gebouw! Alle mensen stonden eromheen. Wanneer wordt het geopend? vroegen ze. De volgende
maand? Wel, wel, wat zijn we nu toch een grote stad.
Moeder Roef zei: ‘Misschien kan Abeltje daar wel een baantje krijgen, daar bij knots. Weet je wat, ik ga er meteen op af. Ik heb gezien dat er een kantoor bij is, waar meneren werken.’ En op een maandagmorgen zette ze haar nieuwe bruine hoed met het groene veertje op en ging naar het kantoor van warenhuis knots.
Er zat daar een grote, brede, dikke meneer met een sigaar, die haar een stoel gaf en zei: ‘Uw zoontje? Zo zo, vertelt u ’s, hoe oud is ie?’
‘Veertien jaar meneer,’ zei moeder Roef. ‘Hij is wel klein voor zijn leeftijd, maar een flink jong, al zeg ik het zelf. Een pienter jong ook, erg pienter! Een flink, helder, pienter jong, meneer.’
‘Zou hij misschien liftjongen willen worden,’ zei de meneer peinzend, terwijl hij een kringetje rook uitblies.
‘Hij wil alles,’ zei moeder Roef. ‘Die jongen wil alles!’
Maar in haar hart dacht ze: O, hemeltje, hij wil helemaal niks, dus dit ook niet.
‘Laat hem vanmiddag maar eens bij me komen,’ zei de meneer. ‘Om vier uur. Ik heb een liftjongen nodig. Hij krijgt een rood pak aan.’
Toen moeder Roef thuiskwam en haar hoed af zette, zei ze: ‘Om vier uur moetje naar warenhuis knots, Abeltje. Je kunt liftjongen worden, je krijgt een vuurrood pak aan met gouden biezen en zilveren strepen, en... wat is eigenlijk een liftjongen?’ vroeg ze er aarzelend achteraan.
‘Ik weet het ook niet precies,’ zei Abeltje. Hij begreep dat het iets met ‘lift’ te maken had, zo’n ding dat op en neer ging, maar ergens in z’n hoofd kreeg hij ook het idee van ‘liften’, met auto’s meerijden, heel ver weg. ‘Ik zal gaan vanmiddag,’ zei hij.
Moeder Roef zat ’s middags van vier uur af zenuwachtig te wachten, en verkocht in haar winkeltje per ongeluk de blauwe druifjes voor vijftien cent in plaats van voor twintig, zo opgewonden was ze.
‘En...?’ vroeg ze, toen Abeltje binnen kwam hollen, z’n pet op een oor. ‘Ik heb de baan,’ zei hij. ‘Woensdag over een week beginnen, als de zaak geopend wordt.’
‘Daar drinken we een groot glas limonade op,’ zei moeder Roef. ‘Met een bolus. Krijg je een rood pak met gouden biezen?’
‘Ja...’ zei Abeltje dromerig. ‘En ik heb de lift gezien. Hij gaat heel hard, zeggen ze.’
hoofdstuk 2
Het bovenste knopje
Op die woensdagmorgen had Abeltje zijn nieuwe pak aan, vuurrood met prachtige, glimmende, koperen knopen, en een lange broek met biezen, en op zijn vestjeszak stond met gouden letters: knots.
‘O, Abeltje,’ zei moeder Roef. ‘Je lijkt wel de kleine prins van Afghanistan, je lijkt wel de kleine generaal van Andorra!’ Moeder Roef was nooit in Afghanistan of in Andorra geweest, maar het klonk zo mooi en ze vond haar zoon gewoonweg het summum en het toppunt!
Abeltje zat heel zenuwachtig zijn boterham met appelstroop te kauwen.
‘Je komt toch niet bij de opening?’ vroeg hij angstig.
‘Natuurlijk kom ik wel bij de opening,’ zei moeder Roef. ‘Wat dacht je? Het grote warenhuis wordt geopend, en ik zal niet bij de opening zijn? Er blijft natuurlijk geen mens thuis. Iedereen zal er zijn. De burgemeester opent het. En mijn eigen zoon is liftjongen!’
‘Ja maar,’ zei Abeltje, ‘je komt toch niet in de lift, hè?’
‘Vanzelfsprekend kom ik in de lift,’ riep moeder Roef.
‘Ja maar,’ zei Abeltje, ‘dan moet je net doen of je me niet kent, hoor!’
Hij was zo vreselijk bang dat zijn moeder aan iedereen zou zeggen: ‘En dit is nou mijn jongetje, mijn zoontje Abeltje, ziet hij er niet lief uit?’
‘Goed,’ zei moeder Roef, ‘ik zal niets laten merken. Ik beloof het je. Ik zal je alleen stiekem toeknikken. Zo!’ En ze knipoogde.
‘Dan is het goed,’ zei Abeltje.
Het was in het nieuwe warenhuis zo’n vreselijke drukte, dat je er haast niet meer doorheen kon wringen. Het leek precies een mierenhoop. Alle inwoners van Middelum verdrongen zich voor de draaideuren. Boven op het grote gebouw waaiden de vlaggen. Er schalde vrolijke muziek. De heren van de bedrijfsleiding hadden allemaal een witte bloem in het knoopsgat. De etalages waren prachtig versierd. Alle winkeljuffrouwen stonden in hun nieuwe, keurige, zwarte japonnetjes op hun afdelingen. Op de parapluafdeling was het het allerdrukst, want daar zou de burgemeester komen, zijn toespraak houden, en een lint doorknippen.
Abeltje stond ondertussen in de lift en in zichzelf stond hij zachtjes te murmelen. Hij had de laatste dagen thuis zijn lesje uit het hoofd moeten leren: ‘Dames en heren... parterre... garnituren, herenmodeartikelen, paraplu’s, tassen, handschoenen, bijouterieën, naaidozen!!! Eerste etage: babyartikelen, stoffen, schoenen, hoeden, speelgoed! Tweede etage: muziek, boeken, meubelen, fluitketels!’ enzovoort, van iedere etage moest hij precies in z’n hoofd hebben wat er te koop was. Hij had ook les gehad in de knopjes. Iedere etage had een speciaal knopje in die lift. Er was bovendien een knopje met alarm, voor als er iets gebeuren mocht. En helemaal bovenaan was een groen knopje. Dat was nergens voor, had de man gezegd, die het hem uitlegde. Dat was zomaar.