Fragment uit Soldaat Wojtek
1
De lucht trilde van de hitte. Het was doodstil in het
legerkamp op dit uur van de dag. Wie zich in de zon
waagde vloog in de fik.
Toch kwam er opeens een gedaante tevoorschijn. Hij
scharrelde kriskras over het pad tussen de geparkeerde
trucks en snuffelde aan elke vrachtwagen die daar
stond.
Hij morrelde met zijn klauwen aan de kraan van de
watertruck, maar die zat stevig dicht. Er kwam geen
druppeltje uit.
Die gedaante was een beer. Hij was nog nooit eerder
in dit kamp geweest. Het was veel groter dan alle
andere kampen die hij had bezocht. Dit was het hoofdkwartier.
Zijn baas lag natuurlijk ergens te pitten, terwijl
hijzelf bijna bewusteloos neerviel van de hitte.
Hij schuifelde langs de tenten, maar die van zijn
baas vond hij niet. Hij rook wel de andere geuren die
bij een legerkamp hoorden. Die van olie en benzine bijvoorbeeld.
Die van bier, sigaretten, brood en kip. Die
van leervet, zweet en springstof, en natuurlijk de geur
van honderd miljoen kilo zand.
Maar één geurtje kende hij niet. Hij ging meteen op
onderzoek uit, want je kon nooit weten of er ergens
nog iets te snaaien viel. Hij volgde zijn neus door het
kamp. Dat die neus bijna verschroeide door de zon
was heel even niet meer belangrijk, omdat lekkere
hapjes nu eenmaal altijd voorrang hadden op alles.
Hij sloeg linksaf en daarna weer rechtsaf, en weer
‘Is die beer van jou?’ riepen ze boos naar de soldaat
die bij hem stond.
De soldaat bood wel honderd keer zijn excuses aan,
maar die vrouwen wilden helemaal geen excuses, ze
wilden hun ondergoed terug.
Boven op de kop van de beer lagen wel tien onderbroeken.
Hij had er ook een paar om zijn snuit gesno -
ven en er hing een bh om zijn nek. Alles rook heerlijk
naar zoete bloemen en er droop verrukkelijk water van
af.
Die gillende vrouwen waren soldaten, net als de mannen
in dit kamp. Ze hadden zich verzameld op deze
plek in de woestijn om samen naar het oorlogsfront te
trekken. En toen ze zagen dat die beer lang zo gevaarlijk
niet was als hij eruitzag, kwamen ze dichterbij.
‘Nu zijn al onze onderbroeken uitgerekt,’ zeiden ze.
‘Het is gewoon een kwestie van een keer heet wassen,’
zei de soldaat, ‘dan krimpen ze wel weer.’ En hij
begon het ene na het andere onderbroekje van de kop
van de beer te plukken.
‘Zal ik die onderbroekjes anders even wassen?’ zei
een tweede soldaat die erbij was komen staan.
‘Dat doen we zelf wel,’ zeiden de vrouwen, en ze
moesten lachen toen ze zagen hoe de beer steeds harder
met zijn lijf ging wiegen en hoe hij nog altijd zijn
klauwen voor zijn ogen hield. ‘Wat is dat toch voor een
rare beer?’ vroegen ze.
‘Aangenaam kennis te maken,’ zei de tweede soldaat,
‘ik ben Stanislav, dat is Pjotr, mijn beste vriend
en de baas van die beer, en die beer zelf is soldaat
Wojtek. En het wordt hoog tijd dat hij nu eens echt aan
de ketting gaat.’
links. Hij waggelde tussen de tenten door tot hij
opeens gevonden had wat hij zocht. Hij ging op zijn
achterpoten staan en begon aan een grondig onderzoek.
Toen hoorde hij opeens een oorverdovend gegil.
Geschrokken ging hij zitten, sloeg zijn poten voor zijn
ogen en deed of hij niet bestond. Dat bleef hij volhouden
tot hij de stem van zijn baas hoorde.
‘Rotbeest, wat heb je nu weer uitgespookt, en wat
zit er in godsnaam op je kop? Je lijkt wel een indiaan.’
De beer hield zijn klauwen voor zijn ogen en begon
langzaam heen en weer te wiegen.
Zonder het te weten was hij het vrouwenkwartier
binnengewandeld. Hij had nog nooit vrouwen van
dichtbij gezien, laat staan gillende vrouwen.
die Stanislav had gezien, en heel soms sprak Stanislav
iemand die Pjotr kende, en zo wisten ze twee jaar lang
van elkaar dat ze nog leefden.
Toen gebeurde er iets onvoorstelbaars: de Duitsers
vielen twee jaar later met een heel leger Rusland binnen.
‘We dachten dat jullie onze vrienden waren!’ riepen
de Russen naar de Duitsers.
‘Wij zijn alleen vrienden met onszelf!’ riepen de
Duit s ers terug.
Toen lieten de Russen alle Poolse gevangenen vrij,
ook Pjotr en Stanislav. De Russen dachten namelijk:
als we tegen de Duitsers gaan vechten, kunnen we de
hulp van de Poolse soldaten goed gebruiken. Maar de
meeste Poolse soldaten hadden daar helemaal geen
2
De Tweede Wereldoorlog begon toen de Duitsers en de
Russen Polen binnenliepen. De Duitsers van de linkerkant
en de Russen van de rechterkant. Ze stopten
precies in het midden. Daar trokken ze een lijn.
‘Deze helft is nu van ons,’ zeiden de Duitsers.
‘En deze helft pikken wij in,’ zeiden de Russen.
Arm Polen, want vanaf die dag bestond het niet
meer. Het was een opgedeeld land en recht door haar
hart liep een vredesgrens. Dat was de naam die de
Duitsers aan die nieuwe grens gaven. Wat je maar
vrede noemt.
De Poolse soldaten werden opgepakt en gevangengezet.
Woonde je aan de linkerkant van de vredesgrens
dan kwam je in een Duits gevangenkamp terecht. En
woonde je, zoals Pjotr en Stanislav, aan de rechterkant
van de vredesgrens dan werd je door de Russen gevangengezet.
Na die grote gebeurtenis werd het een chaos in
Europa. Duitsland begon ook andere landen binnen te
vallen en miljoenen mensen sloegen op de vlucht. Er
werden leugens verteld, er vielen doden en op het
laatst wist niemand meer wie een vriend was, en wie
een vijand. Maar Pjotr en Stanislav zeiden tegen
elkaar: ‘Wij zijn vrienden en we laten elkaar niet in de
steek.’
Maar ze raakten elkaar toch kwijt, omdat ze op een
goede dag aan het werk werden gezet in verschillende
Russische fabrieken. Heel soms sprak Pjotr iemand
‘Vechten,’ zei Stanislav, en hij vertelde dat hij zich
wilde aansluiten bij de Engelsen om te helpen de
Duitsers te verslaan en Polen te bevrijden.
Pjotr dacht even na en zei toen: ‘Ik doe mee, maar
onder één voorwaarde.’
‘En die is?’
‘Dat we bij elkaar blijven.’
‘Afgesproken,’ zei Stanislav en ze sloegen hun handen
tegen elkaar.
Pjotr en Stanislav meldden zich bij een Engels leger -
kamp waar nog veel meer gevluchte Poolse soldaten
zaten.
‘Iedereen ziet er hier uit als een skelet,’ zei Stanislav
zin in. Die wilden wel tegen de Duitsers vechten, maar
dan niet samen met de Russen, want de Russen vertrouwden
ze voor geen cent. Ze maakten met z’n allen
dat ze wegkwamen en gingen op zoek naar de grens.
‘Zeg dat je het bent!’ Pjotr hoorde dat zinnetje toen hij
na weken lopen bij de grens was aangekomen. De
grens tussen Rusland en Iran. ‘Zeg alsjeblieft dat je
het bent,’ hoorde hij nog een keer.
Pjotr draaide zich om en keek recht in de ogen van
een man die eerder dood dan levend leek. Die ogen
kwamen hem bekend voor, maar de rest niet.
‘Zeg dat je het bent,’ zei die man opnieuw.
‘Wat bedoel je toch?’ vroeg Pjotr.
‘Zeg dat je Pjotr Prendys heet.’
‘Ik heet Pjotr Prendys,’ zei Pjotr, ‘maar waarom wil
je dat weten?’ En toen zag Pjotr het. Voor hem stond
Stanislav! Hij leek wel tachtig met zijn magere kop en
zijn baard van een halfjaar oud. Pjotrs mond viel open
en meteen daarna sloeg hij zijn armen om zijn oude
vriend heen. ‘Natuurlijk ben ik het,’ riep hij, ‘wie anders?’
Stanislav schudde zijn hoofd en sloeg Pjotr steeds
weer op zijn schouder.
‘Je ziet eruit als mijn opa en dan nog een stukje ou -
der,’ zei Stanislav.
‘Heb je jezelf wel eens goed bekeken?’ zei Pjotr.
‘In geen twee jaar,’ zei Stanislav.