Fragment uit De spokenjagers en het vuurspook
Een weekendje weg
Het is altijd hetzelfde met gevaarlijke avonturen: ze beginnen
heel onschuldig.
Op een mooie dag in de herfst kreeg de bekende spokenjaagster
Hedwig Kummelsap een brief. De brief was
van Erwin Dikman, directeur van een deftig strandhotel,
waar kennelijk vervelende dingen gebeurden die alleen
maar op spookverschijningen konden wijzen. Directeur
Dikman vroeg Kummelsap & Co dan ook om
gezwinde, vakkundige en vooral discrete hulp.
‘Ach, alweer zo’n saai routineklusje,’ zuchtte mevrouw
Kummelsap. ‘Maar een strandhotel klinkt best leuk. Een
weekendje aan zee is nooit weg.’ In dit geval zou dat helaas
een grote vergissing blijken te zijn.
Hedwig Kummelsap bracht haar assistenten Tom
Tomsky en Hugo mes op de hoogte, pakte haar basisuitrusting
voor de spokenjacht in en ontmoette de twee
anderen op zaterdag 5 oktober in de trein naar Hommingen
aan Zee.
Zoals gezegd, het begon allemaal heel onschuldig.
Mevrouw Kummelsap had vanwege Hugo een hele
coupé gereserveerd. Tenslotte kan niet elke treinreiziger
tegen de aanblik van een mes, hoewel deze spokensoort
een van de ongevaarlijkste is. In de coupé deed
Tom eerst alle gordijntjes dicht, want messen verdragen
geen fel daglicht. Daarna liet hij zijn rugzak op de bank
ploffen.
‘Kom er maar uit, Hugo,’ zei hij.
‘Hohohooo! Een boitje voorzichtig, alsjebliehieft!’
mopperde Hugo gedempt, en het derde lid van het beroemde
spokenjagerstrio zweefde de rugzak uit. ‘Jasses,’
kreunde hij. ‘Ik haat roizen. Roizen is verschrikkeloik!’
‘Beste Hugo.’ Hedwig Kummelsap tilde haar koffer in
het bagagerek en zette een thermoskan thee op het klaptafeltje
onder het raam. ‘Je had helemaal niet mee gehoeven,
dat zei ik aan de telefoon al. Bij deze zaak hebben
we jouw hulp beslist niet nodig. En je hoeft vast ook
niet zo nodig op het strand te liggen, of wel soms?’
‘Leuk hohohooor!’ Hugo nam zijn blauwige pruilkleur
aan en verdween in het bagagerek.
‘Ik heb hem ook al gezegd dat we hem niet nodig
hebben,’ zuchtte Tom, terwijl hij zich op een bank liet
vallen, ‘maar hij moest en zou mee.’
‘Typisch,’ zei Hedwig Kummelsap. ‘messen zijn altijd
onuitstaanbaar nieuwsgierig!’
Ze haalde twee rode bekers uit haar handtas, een
doosje suikerklontjes en een verkreukelde brief. De brief
en de suikerklontjes gaf ze aan Tom. ‘Hier, jonge vriend,’
zei ze, en ze schonk de thee in.
Nieuwsgierig boog Hugo zich over de rand van het
bagagerek. ‘Haal je schimmelvoeten van mijn hoofd,’
bromde Tom, die in het schemerige licht zijn best deed
om de brief te ontcijferen. Het mes kietelde hem met
zijn ijskoude vingers in zijn nek.
‘Hugo, laat dat verdorie!’ riep Tom. Hij zette zijn bril
af en begon boos de glazen schoon te poetsen. ‘Hoepel
op! Van die rotte adem van je beslaan mijn brillenglazen!’
‘Rotte adem? Rotte adem?’ Hugo zwabberde naar het
plafond en bleef daar beledigd hangen. ‘Dat kohomt
door jullie smeherige thoi!’
Tom schudde zijn hoofd, zette zijn bril weer op en
las voor: ‘Geachte meneer Kummelsap! Hoezo, meneer?’
vroeg hij.
‘Dat is nou weer zo typisch!’ zei mevrouw Kummelsap.
‘Als je spokenexpert zegt denken de meeste mensen
meteen aan een man. Dom, maar zo is het nu eenmaal.’
‘Geachte meneer Kummelsap,’ las Tom nog een keer,
‘sinds een paar dagen gebeuren er in ons hotel raadselachtige
dingen, die met het gezonde verstand helaas niet
te verklaren zijn. Uit de kranen komt regelmatig opeens
heet water, en onze airconditioning slaat steeds vaker op
hol. Bovendien zijn er ’s nachts uitermate irritante en onaangename
geluiden te horen, en een paar personeelsleden hebben vreemde dingen gezien.
Aangezien uw vakkennis
op het gebied van de spokenbestrijding wijd en zijd
het best bekend staat, verzoek ik u ons zo snel mogelijk van
deze storende verschijnselen te verlossen. Vanwege de goede
reputatie van ons hotel moet ik u tegelijk om de grootst
mogelijke discretie vragen. Met vriendelijke groet, Erwin
Dikman. Dat klinkt als een vuurspookje.’ Tom liet vier
suikerklontjes in zijn beker vallen, roerde en nam een
slok. ‘Twee uur werk, schat ik zo.’
‘Dat is ook mijn inschatting,’ zei mevrouw Kummelsap.
‘En daarna gaan we nog fijn een paar uurtjes naar
het strand. Wat zeg je daarvan? Onze goede vriend Hugo
kan zolang in de kelder van het hotel gaan zitten!’
‘Vuuhuurspoken zijn enorme sukkels!’ mopperde
Hugo vanuit de hoogte. ‘Ik zal die...’
‘Stil!’ siste mevrouw Kummelsap. Op de gang kwam
iemand aangelopen. De deur van de coupé ging open
en de conducteur stak zijn hoofd tussen de gordijntjes
door.
‘Vervoersbewijzen alstublieft!’
Met een vriendelijk lachje gaf mevrouw Kummelsap
hem de kaartjes. Tom keek bezorgd naar het plafond,
maar Hugo had zich achter de koffer verstopt.
De conducteur stempelde de kaartjes, gaf ze met een
hoofdknikje aan mevrouw Kummelsap terug en wilde
net de coupé weer uit gaan toen er iets naar zijn pet
graaide. Iets zwadderig kouds, iets schimmelig groens.
Hij keek geschrokken op, zag de pet tien centimeter boven
zijn hoofd zweven, en daarboven een spook met
wapperend spokenhaar en gifgroene ogen, dat vals naar
hem grijnsde.
‘Hoooooooollooooooooooo!’ zei Hugo met doffe
stem. Hij zwaaide, liet de pet weer op het hoofd van de
conducteur vallen, blies de arme man zijn koude stinkadem
in het gezicht en glipte de koffer in.
‘Hugo!’ riep Tom kwaad.
De conducteur bibberde van angst, en zijn tanden
klapperden zo hard dat het in de volgende coupé te horen
was.
‘Is er iets mis met de kaartjes, meneer de conducteur?’
vroeg Hedwig Kummelsap met haar rustgevende lage
stem.
De arme conducteur kon niet ophouden met bibberen.
Angstig keek hij om zich heen, maar van Hugo was
geen schimmelgroen spoortje meer te bekennen.
‘Zoekt u iets?’ Tom keek hem zo onschuldig mogelijk
aan.
De conducteur haalde een hand over zijn voorhoofd
en mompelde: ‘Volgende station Hommingen aan Zee!’
Toen stommelde hij zo snel als hij kon met zijn korte
beentjes de coupé uit en knalde de deur achter zich
dicht.
‘O, dat flauwe mes ook altijd!’ mopperde mevrouw
Kummelsap. ‘Hugo, ben je nu definitief je spokenverstand
kwijt? We zijn niet voor ons plezier op pad!’
‘Laat je voorlopig maar niet meer zien!’ riep Tom naar
het bagagerek. ‘Je zorgt alleen maar voor problemen!’
‘Jullie guhunnen een arm spook ook heulemaal
niehiets!’ klonk het boos uit de koffer. ‘Jullie weten gewoohoon
niet wat leuk is!’
Hedwig Kummelsap schudde haar hoofd. ‘Dat komt
er nou van als je met een spook op pad gaat. Dat domme
mes gaat het ons nog moeilijker maken dan dat vuurspook
van meneer Dikman!’
Ook dat was een geweldige vergissing. Maar hoe had
mevrouw Kummelsap moeten weten dat meneer Dikman
een en ander voor haar verzwegen had, en dat ze
Hugo’s hulp nog hard nodig zou hebben?