Fragment uit De Wilde Kippen Club en de liefde
Sprotjes moeder reed te hard. Ze was al een keer door rood
gereden en het verkeerslicht waar ze nu op af reed, stond ook
al gevaarlijk lang op oranje.
‘Dat haal je niet!’ zei Sprotje. Buiten slenterden de mensen
in T-shirt langs de etalages en de hemel boven de stad was zo
blauw alsof hij pas opnieuw geschilderd was. Deze dag was
hooguit bedoeld om een ijsje te gaan eten, in elk geval niet
om zo’n stomme...
‘Natuurlijk haal ik dat wel.’ Haar moeder gaf nog wat meer
gas, maar ze haalde het niet en moest zo hard remmen dat de
veiligheidsgordel in Sprotjes schouder sneed.
‘Mam! Wil je je rijbewijs kwijt of zo? Je bent toch al te
laat.’
Haar moeder keek in de achteruitkijkspiegel en likte een
beetje lippenstift van haar tanden. ‘O ja? En wie z’n schuld is
het dat we zo laat zijn? Wie moest er zo nodig nog met al haar
vriendinnen bellen en een halfuur naar een versleten spijkerbroek
zoeken waarin geen normaal mens meer de straat op
zou gaan?’
Sprotje streek over haar broek, die inderdaad betere tijden
had gekend, en keek uit het raampje. De taxi stonk naar sigarettenrook
en vreemde mensen. ‘Ik heb gewoon geen zin
om trouwjurken te gaan kijken. En jij moest daar vroeger ook
niets van hebben. Voor...’ Ze maakte haar zin niet af: voor die
betweter op het toneel verscheen, voor dat gepraat over trouwen
begon, toen er nog niemand bij ons op de wc autotijdschriften
zat te lezen en ik nog de grote slaapkamer had. Dat
hoefde Sprotje allemaal niet hardop te zeggen. Haar moeder
wist ook zo wel wat er in haar hoofd omging, en het schuldgevoel
dat het haar bezorgde maakte haar humeur er niet bepaald
beter op. Ze wierp een grimmige blik in de achteruitkijkspiegel
en plukte het haar van haar voorhoofd.
‘Het spijt me dat ik van mening veranderd ben! Dat zou
jou natuurlijk nooit overkomen. Goeie god, ik wilde gewoon
graag dat je erbij zou zijn. Dat je me helpt met uitzoeken. Anders
weet je toch ook altijd zo goed wat ik aan moet?’
Het licht sprong op groen en de automobilist achter hen,
een klein, kaal mannetje dat amper over zijn stuur heen kon
kijken, toeterde toen Sprotjes moeder niet onmiddellijk optrok.
‘Ja ja, ik ga al. Moet je die kleine gifkikker nou eens zien. Je
komt ze ook overal tegen, die gifkikkers.’
Haar moeder wisselde zo abrupt van rijstrook dat het kale
mannetje zijn middelvinger naar haar opstak, maar ze zag het
niet eens. Ze was nu al dagen zo, sinds zij en die betweter de
trouwdatum hadden vastgesteld.
‘Ik snap er nog steeds niets van.’ Sprotje had zich heilig
voorgenomen er niet weer over te beginnen, maar ze kon het
gewoon niet laten. ‘Waarom moet je met hem trouwen? Is het
niet genoeg dat hij om de dag...’ Ze beet op haar onderlip.
Klaar.
Haar moeder hield het stuur zo stevig vast dat haar knokkels
spierwit werden. Alsof Sprotje niet wist dat het een idee
van die betweter was geweest. Hij was dol op trouwerijen en
alles wat erbij hoorde, en daarom moesten ze op deze heerlijkwarme,
hemelsblauwe lentemiddag op zoek naar een trouwjurk.
En dat terwijl Sprotjes moeder hooguit vijf keer in haar
leven een rok aan had gehad, om van jurken maar te zwijgen.
‘Hij zegt dat hij me gewoon graag in zo’n ding wil zien,’
mompelde ze. ‘Hij zegt dat het me prachtig zal staan.’
Sprotje zag helemaal voor zich hoe hij keek als hij dat zei.
Als de betweter een romantische bui had, kreeg hij een ontzettend
onnozele blik in zijn ogen, alsof zijn gezicht smolt van
ontroering, als een pakje boter in de zon. Met die blik kon hij
Sprotjes moeder overal warm voor krijgen, zelfs voor een witte
bruiloft met alles erop en eraan, zoals hij het noemde.
Ze waren al bijna een jaar bij elkaar. Nog nooit had een
man zich zo in hun leven genesteld. Zijn autotijdschriften lagen
naast de wc, zijn haar zat in de borstel en bij het ontbijt
kaapte hij de Nutella voor Sprotjes neus weg. Hij was nog net
niet helemaal bij hen ingetrokken. Twee, drie dagen per week
sliep hij nog in zijn eigen huis, voor zover je het een huis kon
noemen, boven zijn rijschool, maar dat zou na de bruiloft
natuurlijk veranderen. In de aanloop naar de grote dag had
Sprotje haar kamer moeten ontruimen, want het echtelijke
bed dat de betweter had uitgezocht paste niet in de slaapkamer
van haar moeder.
Sprotje zette haar voeten tegen het dashboard. Daar was de
winkel. Hij was niet al te groot. In de etalage keken twee poppen
in een witte trouwjurk met een wezenloos lachje de lente
in. De betweter stond al voor de deur te wachten. Sprotje zag
hem op zijn horloge kijken.
‘Straks kom ík te laat,’ zei Sprotje toen haar moeder langs
de stoep parkeerde. Dat kwam er ook nog bij. Ze had om vijf
uur een afspraak met Fred. Ze zouden naar de film gaan, samen
met Roos. ‘Waag het niet om weer te laat te komen!’ had
Fred die ochtend op school dreigend gezegd. ‘Dan ga ik alleen
met Roos naar de film en gaan we gezellig op de zoenrij zitten.’
Sprotje had hem lachend een duw gegeven. Het was namelijk
suf om jaloers te zijn op je beste vriendin. Maar soms
ben je suf, ook al wil je dat helemaal niet. En Fred en Roos
waren de laatste tijd best vaak bij elkaar, omdat Fred wiskundebijles
nodig had en Melanie hem had aangeraden naar
Roos te gaan. Vandaag was ook zo’n bijlesdag en Sprotje wilde
echt niet te laat in de bioscoop zijn. Niet vanwege een stelletje
stomme witte jurken.
De betweter liep natuurlijk weer in een van zijn gruwelijke
gebreide truien (svt’s noemde Fred die: sportverslaggeverstruien),
en waarschijnlijk stond hij al een hele tijd wortel te
schieten, want hij was altijd stipt op tijd, of liever gezegd, hij
was altijd minstens een kwartier te vroeg.
Zo te zien was hij net zo zenuwachtig als Sprotjes moeder.
Hij ging de hele tijd met zijn hand door zijn haar, het stond al
alle kanten op. ‘Hèhè, eindelijk!’ riep hij. ‘Ik dacht al, die komen
niet.’
‘Lieve hemel, ik hoop dat die minutenzifterij ooit nog een
keer overgaat,’ fluisterde Sprotjes moeder terwijl ze op hem
afliepen. ‘Misschien moet ik zijn horloge verzetten, zodat hij
ook eens te laat komt. Lijkt je dat geen goed idee?’
Sprotje moest haar lachen inhouden. Dat idee was bij haar
ook al opgekomen.
‘Waarom grijnzen jullie zo?’ De betweter bekeek hen wantrouwig.
‘Hebben jullie weer over me zitten roddelen?’
Sprotjes moeder gaf hem een kus. ‘Nee hoor, we hebben
geen woord over je gezegd, niet één klein woordje!’ antwoordde
ze.
Sprotje had een hekel aan winkelen. Ze vond het stomvervelend
om winkel in, winkel uit te lopen en in een of ander
pashokje een slecht zittende broek aan te trekken. Soms nam
Roos haar mee, of Melanie, als ze vonden dat hun Opperkip
nog iets anders nodig had dan een versleten spijkerbroek en
een rijbroek met knieën erin. Melanie probeerde telkens weer
om Sprotje enthousiast te krijgen. In haar ogen was er niets
leukers op de wereld dan honderden kledingrekken af te zoeken
naar dat ene speciale T-shirt, maar Sprotje zou het altijd
tijdverspilling blijven vinden.
Ze voelde zich helemáál rot in winkels waar ze je zodra je
binnen was kwamen vragen wat ze voor je konden doen. Deze
winkel was er zo een. De lucht achter de zware deur rook
nog zoeter dan het parfum waarmee Melanie zich besproeide
als ze een afspraakje had. Ze waren de enige klanten en de
verkoopster had hen blijkbaar al verwacht. Sprotje ging op
een van de met rode stof beklede stoelen zitten die met de rug
naar de etalage stonden en bekeek de als bruid aangeklede
poppen, terwijl de verkoopster met haar moeder en de betweter
door de winkel liep.
Sprotje zuchtte. Melanie zou haar niet met rust laten voor
ze haar elk strikje precies beschreven had. Verveeld boog ze
zich over de rugleuning van haar stoel en streek over de jurk
van de blonde etalagepop. Wat voelde die stof stijf aan. Sprotje
kon Melanies stem al horen: hoe lang was de rok, Sprotje?
Hoe diep het decolleté? Vertel nou. De andere Wilde Kippen
zouden niet half zo geïnteresseerd zijn, integendeel – Lisa zou
er grapjes over maken, Roos zou afwezig voor zich uit staren
en waarschijnlijk aan Mike, haar vriend, denken en Kim, ja,
Kim zou vast weer zo’n hemelse blik in haar ogen krijgen en
iets verzuchten als ‘o, wat romantisch’.
‘Sprotje!’
Sprotje schrok op uit haar gedachten. Haar moeder stond
voor haar, in een sneeuwwit geval met ruches en roosjes aan
de mouwen, terwijl de verkoopster met een opgeplakt lachje
op haar gezicht om haar heen draaide en de jurk rechttrok.
Ze deed Sprotje denken aan de scharrelende kippen in hun
ren bij de caravan, het clubhuis van de Wilde Kippen. Als je ze
paardenbloemen gaf, trippelden ze net zo druk om je heen als
deze verkoopster nu bij Sprotjes moeder deed.
‘Nou, ik vind het prachtig!’ De betweter liet zich op de
stoel naast Sprotje vallen. Hij keek haar moeder gelukzalig
aan, alsof hij hoopte dat ze die domme witte jurk nooit meer
uit zou trekken.