Fragment uit Korte Lontjes
Vechten
veertien
We zijn ergens in Duitsland. Of misschien is het al Denemarken, weet ik veel. Ik ga niet kijken, ik houd mijn ogen lekker dicht. We zijn in ieder geval niet meer in Nederland, want ik kan me vaag herinneren dat we de grens over gingen. Mijn vader begon te zingen. Auf Wiedersehen, auf Wiedersehen.
Dat soort dingen doet hij alleen als er anderen bij zijn, dan is hij op z’n best. Dan is hij vrolijk, dan vertelt hij verhalen, dan gaat hij overal in op. Daarom merken de meeste mensen niks aan hem. Mijn vrienden ook niet, die vinden hem best gezellig. Het sloeg alleen nergens op, dat auf Wiedersehen, want we reden Duitsland juist bínnen.
Eigenlijk heb ik niet zo heel veel zin in het toernooi. De wedstrijden natuurlijk wel, maar het hele gedoe eromheen heb ik zo langzamerhand wel gezien. Maar soms is het wel lachen. Zoals laatst in Frankfurt, met die Poolse trut die helemaal over de rooie ging, echt zó dom! Dat was in de kwartfinale. Ik stond al op de loper, maar zij was er nog niet, dus ging ik vast naast de scheidsrechter staan. Aan de linkerkant, want ik ben links. Maar toen die Poolse eindelijk kwam was ze het daar niet mee eens. Ze zei dat haar naam als eerste was omgeroepen, dus dat zij links mocht staan. Mij maakt het helemaal niet uit, maar omdat ze er zo’n drama van maakte had ik geen zin meer om te verhuizen. Op zich ben ik de beroerdste niet, maar als iemand me dwars wil zitten, dan gaan bij mij de hakken in het zand.
Ze had een hele fanclub bij zich. Al die Polen riepen keihard boe als ik een punt maakte en juichten superoverdreven als zij scoorde. Ondertussen waren alle Nederlanders aan mijn kant komen zitten, die gingen ook steeds harder tekeer. Toen ik uiteindelijk won, wilde die Poolse me geen hand geven. Ze begon meteen weer te krijsen dat het niet eerlijk was gegaan en dat ik dat moest toegeven. Mooi niet dus, ik haat Polen. Dat had ik misschien beter niet kunnen zeggen, maar het flapte er gewoon uit. De Poolse trainer eiste op hoge poten dat ik mijn excuses zou aanbieden. Niet alleen aan mijn tegenstandster, maar ook aan hem en aan het hele team, aan alle Polen waar ook ter wereld. Gelukkig namen de Nederlanders het voor me op. Behalve Chantal natuurlijk, haar haat ik ook. En zij mij.
Ze zit nu met haar nieuwe iPod te klooien, hoor ik, daar maakt ze altijd een hele show van. Ieder normaal mens bedient hem in een handomdraai, maar zij doet nog steeds of het iets heel bijzonders is dat ze er eentje heeft.
Stefan denkt dat ze een beetje jaloers is, maar hij zegt dat ik er verder niet te veel aandacht aan moet besteden. Niet dat ik bij hem heb geklaagd, want er moet heel wat gebeuren voor ik iemand verlink. Ik zei hem alleen dat ik het niet leuk vind dat Chantal steeds over me loopt te roddelen bij de andere meiden. ‘Weet je wat het is?’ zei hij. ‘Jij bent een natuurtalent. Als ik jou één keer iets laat zien, dan kun je het meteen. Chantal niet, die moet er hard voor werken. Een heleboel technieken die jij in een mum van tijd beheerst, daar moet zij heel lang op trainen.’
Eigenlijk maakt het mij allemaal niet zo veel uit. Dat ik Nederlands kampioen ben, bedoel ik. Het is natuurlijk wel leuk, maar zo heel veel stelt het ook weer niet voor. Hoeveel meisjes van mijn leeftijd zitten er nu helemaal op schermen? Hooguit een stuk of tweehonderd. En als ik iets leuk vind, dan leer ik inderdaad heel snel, dus zo bijzonder is het allemaal niet. Het is ook toeval dat ik ermee ben begonnen, eigenlijk wilde ik op skaten. Daarom ging mijn moeder in het telefoonboek op zoek naar een skateclub. Toen zag ze ineens schermen staan. ‘Is dat niet iets voor jou?’ zei ze. Daar kun je je agressie lekker in kwijt, bedoelde ze. Dat is ook wel zo, maar het leukste van schermen vind ik het bewegen. Het sierlijke, de snelle schijnbewegingen, dat je aan de ogen van je tegenstander ziet wat ze van plan is en dat je haar dan net een stap voor bent. Als het me echt ging om het botte hakken, dan had ik wel sabel genomen. Floret past veel beter bij mij, dat is echt iets voor binnenvetters. Eerst aftasten en dan snel een prik uitdelen. Degen zou ook nog kunnen, dat is ook een steekwapen, maar degen is iets voor luie mensen, dat weet iedereen. Bij degen is je hele lichaam het trefvlak, dus dan is het niet zo’n kunst om iemand te raken. Daarom is floret het leukst. Floret is eigenlijk meer ballet.
Volgens mij is Chantal ook jaloers op me omdat Stefan mijn privétrainer is. Hij is supergoed, dat zegt iedereen op de club. Misschien wordt hij binnenkort zelfs bondscoach.
Bij mij in de klas vinden ze het raar dat ik een privétrainer heb, maar bij schermen is dat doodgewoon. Als je écht hogerop wilt, kom je er niet met alleen groepstrainingen. Dat snappen ze niet op school. Dan maar niet. Sommige lui roddelen nu eenmaal liever over je dan dat ze moeite doen om dingen te begrijpen die net even buiten hun wereldje vallen. Dat merk ik al m’n hele leven, daar ben ik zo langzamerhand wel aan gewend.
*
‘Sabien!’
Mijn vader.
Hij port tegen mijn schouder.
‘Sabine! Wakker worden, we zijn er!’
Ik gaap uitgebreid. Dat doe ik wel vaker als ik me even geen raad weet met mijn houding. Een stomme gewoonte, dat weet ik ook wel, maar het is een reflex.
Chantal en haar vader zijn allang uitgestapt. Chantal bekijkt me misprijzend, Joost mag weten waarom.
Ik heb het koud. Ik rits mijn jack dicht en trek de capuchon zo ver mogelijk over mijn hoofd.
Welkom in Kopenhagen. Een volle parkeerplaats. Motregen. Als dit het centrum is, dan is er blijkbaar geen middeleeuwse binnenstad met oude gebouwen. Soms vind ik die wel mooi, zoals in Venetië vorig jaar. Alle huizen leken wel paleizen.
‘Neem meteen je spullen mee!’ roept mijn vader. Hij staat bij de kofferbak. Zodra ik mijn tassen heb gepakt laat hij de klep nadrukkelijk dichtvallen. Het duurt hem allemaal weer veel te lang. Relax! Het toernooi begint morgen pas.
Ik slenter achter hem aan naar de ingang. Er komt net een grote groep andere schermers aan. Pal voor de ingang blijven ze staan, onder de rood-witte luifel. De meesten in trainingspakken. Volgens mij zijn het de Tsjechen of de Hongaren. Sommigen komen me bekend voor, maar ik ben niet zo heel goed in gezichten. Ook niet in namen trouwens. Mijn geheugen lijkt een beetje op mijn kamer: je breekt je nek over de zooi, maar de dingen die je nodig hebt kun je nooit vinden.
‘Allemaal even luisteren,’ roept Stefan.
Hij wappert met een papier. De hele dag heb ik me nog geen moment zorgen gemaakt over de kamerindeling, maar nu ineens wel. Soms gaan we met een paar meiden op een kamer, maar niet alle hotels hebben genoeg vierpersoonskamers.
Als ik maar niet bij Chantal kom. Dan ga ik nog liever bij mijn vader op de kamer, want in het buitenland gaat het meestal wat beter tussen ons. Het zou natuurlijk handiger zijn als mijn moeder meeging, maar die kan niet van huis weg, vanwege de dieren.
‘Hé Sappie.’
Wouter is achter me komen staan. Waar hij ineens vandaan komt is me een raadsel, maar dat kan me verder ook niet schelen. Natuurlijk wist ik van tevoren dat ik hem weer zou zien, daar heb ik eigenlijk de hele reis naar uitgekeken.
‘Alles goed?’ fluistert hij, terwijl Stefan een hele rij namen en kamernummers begint op te lezen. Jammer genoeg heeft Wouter sinds een paar weken een nieuwe vriendin. Logisch, hij is vier jaar ouder dan ik. Toch vindt hij mij ook behoorlijk leuk, dat weet ik zeker.
‘En je enkel?’
‘Gaat wel.’
Ik moet er nog een beetje voorzichtig mee doen, maar de zwelling is weg en de pijn bijna. Het zou beter zijn om nog meer rust te nemen, maar als ik niet train word ik chagrijnig. Dat is ook precies het verschil tussen mij en Chantal. Als we ‘s middags met Jong Oranje een training hebben gehad op Papendal en we moeten ’s avonds ook nog een clubtraining, dan komt ze gewoon niet opdagen. Wil je nou aan topsport doen of niet?
Ondertussen heb ik niet gehoord wat Stefan allemaal heeft gezegd. Dus snap ik niet waarom iedereen opeens door elkaar begint te lopen. Ik draai me om naar Wouter, maar die loopt net weg. Ik wil hem het liefst achternagaan, maar daar is mijn vader al. Hij zwaait vrolijk met een sleutel.
‘We zitten op de vijfde,’ zegt hij, ‘waar is de lift?’
Dat lijkt me wel zo handig. Als mijn vader vijf trappen op moet, kun je net zo goed meteen de ambulance bellen. Hij zegt wel steeds dat hij de volgende week echt iets aan sport gaat doen, maar het komt er nooit van. Ondertussen kweekt hij dus wel een bierbuik van hier tot Tokio. Hij is ook helemaal buiten adem als hij een klein blokje met de honden heeft gelopen, terwijl die in hondenjaren nog ouder zijn dan hij, die zijn eigenlijk al met pensioen.
‘Is het hier?’ vraag ik als de lift stopt.
‘Is dít soms de vijfde?!’
‘Weet ik veel…’
Ineens is hij compleet aangebrand. Heb ik weer iets verkeerds gezegd? Gedaan?
‘Kijk dan! Nee daar! Achter je!’
Daar zit inderdaad een geval met een knipperende vier.
‘Let dan ook eens op als er iets wordt uitgelegd!’
Ondertussen zijn de Tsjechen of de Hongaren of wat het ook zijn allang uitgestapt.
De deuren gaan dicht en we gaan weer.
Ik hoor mijn vader hijgen. Als zelfs de lift al te veel voor hem is…
Op de vijfde schuifel ik achter hem aan door een donkere gang. Hij moppert dat ze in een fatsoenlijk hotel lichtgevende schakelaars horen te hebben. En trouwens ook verlichte bordjes met Nooduitgang erop.
Op onze kamer gaat hij vrolijk verder. Er is geen goeie plek voor zijn koffer, de gordijnen zijn te stoffig, de matras is te hard, het kussen juist te zacht, de wastafel is niet helemaal schoon, de deur van de douchecel hangt scheef, de closetrolhouder zit aan de verkeerde kant van de wc-pot en er ontbreekt een schroefje aan het metalen plaatje waarmee de stang voor de handdoeken aan de muur zit.
Een schroefje?
‘Ja, kijk dan!’
Hij wil dat ik kom kijken. Als hij in zo’n bui is kun je hem beter zijn zin geven.
‘Kijk hier, op den duur blijft dat ding toch niet hangen aan twee van die lullige schroefjes. En dan liggen je handdoeken op de grond!!’
‘Ja, als je er zo hard aan trekt…’
Dat had ik natuurlijk niet moet zeggen.
‘Dat heeft er niks mee te maken. Het is gewoon niet in orde.’
‘Wat maakt dat nou uit, één zo’n schroefje…’
Meteen barst hij los. Hij loopt rood aan, van zijn wangen tot zijn hals. Alleen zijn adamsappel niet, die blijft altijd bleek.
‘Precies! Dat denk jij. En dat denkt iedereen: één zo’n miezerig schroefje, wat maakt dat nou uit?! Maar dáár begint het dus mee en voor je het weet is het één grote bende.’
Ineens weet ik het antwoord op iets wat de psych ooit vroeg: maar wat gebeurt er eigenlijk met jóú als je vader zo boos wordt?
Dan kijk ik dus naar zijn adamsappel. De kleur en de vorm lijken op de eerste kastanjes. Met stokken gooiden mijn broer en ik net zo lang tegen de onderste takken tot er een paar van die groene prikdingen naar beneden kwamen. Omdat het eigenlijk nog niet echt herfst was, moest je er met je hak keihard op stampen voor ze eindelijk openbarstten. En dan viel het altijd tegen: de kastanjes waren nog niet mooi bruin maar eerder geel, de kleur van paardentanden.
Ondertussen loopt mijn vader nog steeds te foeteren. Gelukkig wordt er op de deur geklopt. Ik schiet eropaf.
Het is Stefan. Hij zegt dat we over vijf minuten verzamelen in de hal. Maar daar wacht ik niet op. Ik graai mijn jack van het bed en ga als een speer achter hem aan.
*
Op de ochtend van een toernooi ben ik altijd al bij het opstaan een beetje onrustig. Behoorlijk onrustig zelfs. Dan wil ik het liefst meteen beginnen met de eerste wedstrijd.
Gelukkig ben ik vannacht niet misselijk geweest. Dat heb ik soms in het buitenland. Thuis trouwens ook. Als ik niet helemaal lekker in mijn vel zit, gooi ik ’s nachts alles eruit. Dat had ik als kind al.
Mijn vader is in de badkamer. Vroeger ging ik vaak kijken hoe hij zich schoor. Speciaal voor mij maakte hij daar dan een hele show van. Eerst dat gedoe met die zeep en die kwast. Zonder dat je precies zag hoe het ging, had hij ineens een baard van schuim. Meestal gaf hij mij ook even een lik op mijn neus, maar we mochten niet stoeien, dat was te gevaarlijk, met dat scheermes in zijn hand. Pas als hij helemaal glad was kwam hij me achterna, de slaapkamer in, en dan deden we een kussengevecht. Elke zondag.
De laatste tijd doen we dat niet meer. Vorig jaar nog een keer, maar dat was bepaald geen succes. Ook in een hotel, in Frankrijk volgens mij. We waren gewoon wat aan het keten, net als vroeger. Ineens had hij er genoeg van, maar dat had ik niet in de gaten. Hij zei het ook helemaal niet duidelijk, dus ik ging lekker door. Ze hadden daar namelijk van die lange ronde kussens, daar kon je geweldig mee meppen. Ineens ontplofte hij en toen was het bal. Hij schreeuwde het hele hotel bij elkaar. Dat ik nooit eens luisterde en me nergens een moer van aantrok en de hele riedel.
‘Jouw beurt.’
Hij komt in zijn hemd de badkamer uit. Zijn buik puilt over zijn pyjamabroek.
‘Als ik aangekleed ben, ga ik even buiten kijken,’ zegt hij, ‘ik zie je straks beneden.’
Dat betekent dat hij gaat staan roken, de eerste sigaret van de twee pakjes die hij er in de loop van de dag doorheen zal jagen.
*
Bij de ingang van de sporthal is het al behoorlijk druk. Velkommen til Fægteklub staat er op een soort schoolbord. Schermen heet hier namelijk fægte. Stefan vindt dat absurd. Als schermen één ding niet is, dan is het wel vechten. ‘Weet je wat een vechtsport is?’ zei hij. ‘Voetbal! Daar schoppen ze elkaar dwars doormidden. Dat zullen schermers nooit doen, schermers zijn gentlemen.’
‘En de vrouwen dan?’ vroeg Chantal bijdehand, maar Stefan deed gelukkig net of hij haar niet hoorde.
De poule is geen probleem. Alleen tegen een lange Zweedse heb ik het in het begin even moeilijk. De eerste vier punten zijn voor haar. Dat komt vooral omdat ik me laat afleiden door mijn vader die allerlei aanwijzingen begint te roepen. Die slaan nergens op, omdat hij niet weet dat ik net met Stefan een nieuwe techniek heb ingestudeerd. Dat irriteert me mateloos, maar gelukkig kan ik me net op tijd afsluiten voor zijn gezanik. Zo wordt het toch nog 5-4.
‘Kantje boord,’ zegt mijn vader. ‘Wat zat je nou te klooien?’
‘Niks klooien, daar hebben we op getraind. Een nieuwe parade riposte…’
‘Maak dat de kat wijs, dat was absoluut geen parade riposte!’
Typisch mijn vader. Heeft nog nooit geschermd, maar denkt wel dat hij het beter weet dan de aanstaande bondscoach.
Schermen is sowieso een lastige sport voor toeschouwers. Het gaat zo snel dat de helft van de mensen helemaal niet ziet wat er eigenlijk gebeurt en wie het punt maakt. Je kunt het pas echt goed volgen als je het zelf ook wel eens hebt gedaan. Maar ja, in Nederland denken de meeste mensen nog steeds dat het een kaksport is. Het is ook nooit op tv. Ondertussen is het mooi wel een van de vijf sporten die al vanaf het begin op het programma van de Olympische Spelen staan. Dat kun je van voetbal niet zeggen.
Gelukkig is Stefan behoorlijk tevreden, al geeft hij me nog wel wat aanwijzingen voor de eliminaties. Maar die beginnen pas over een uur. Tot die tijd ga ik even bij Wouter kijken. Daar staat Chantal natuurlijk ook.
‘Wat had jij nou daarnet?’ zegt ze.
‘Wanneer?’
‘Net. Tegen die Zweedse!’
‘Hoezo? Ik heb toch gewonnen?’
‘Vraag niet hoe…’
Dus negeer ik haar verder.
Even later hoor ik van Stefan dat Chantal zelf twee van haar poulewedstrijden heeft verloren. Toch kan ze nog net door naar de eliminaties.
Ik hoop dat ik tegen haar moet. Ik hoop het echt, dan maak ik haar helemaal af. Maar het gebeurt niet, ze vliegt er in de eerste partij met 15-6 uit.
Met mij gaat het steeds beter. Dat heb ik meestal: hoe meer tegenstand, hoe lekkerder het gaat. Zo haal ik de halve finale. Daarin moet ik weer tegen diezelfde Poolse als vorig jaar. Die is mij duidelijk ook niet vergeten, ze heeft haar hele fanclub opgetrommeld.
Gelukkig komt de rest van onze ploeg mij aanmoedigen. Zelfs Chantal. O nee, toch niet. Ze pakt alleen haar spullen en gaat er met veel bombarie vandoor.
‘Chantal!’ roept Stefan boos, ‘waar ga je heen?’
‘Naar de kantine, ik heb honger.’
‘Chantal!’ roept Stefan weer, maar ze loopt gewoon door. Stefan moppert.
‘Laat haar nou maar,’ zeg ik.
Onze namen worden afgeroepen en we stellen ons op. Maar net als we moeten beginnen gaat mijn ‘ongeldig’-lampje branden. Meestal is er dan iets mis met je fil de corps, dat is de lange dunne kabel die van je floret naar het scoreapparaat loopt. Aan het topje van je floret zit namelijk een klein knopje. Als je je tegenstander raakt wordt dat knopje ingedrukt. Daardoor gaat er een stroompje naar het handvat en dan dus verder door je fil de corps. Je fil de corps moet helemaal onder je kleren door en dan door de mouw van je vest naar het handvat van je floret. Als dat niet helemaal goed zit, krijg je een los contact en worden er geen treffers geregistreerd. Snel loop ik dus mijn fil de corps na, te beginnen bij het handvat. Dat lijkt allemaal in orde. Daarna controleer ik hoe de draad door mijn mouw gaat.
‘Wat sta je nou te prutsen,’ zegt mijn vader, terwijl hij aan mijn vest begint te sjorren. ‘Uit dat ding, dit duurt allemaal veel te lang. Je moet beginnen, de scheidsrechter staat te wachten!’
‘Laat nou,’ zeg ik, ‘het lukt zo ook wel.’
Ik zei het helemaal niet boos of geïrriteerd, volgens mij. Al ben ik natuurlijk best een beetje nerveus, het is tenslotte wel de halve finale.
Mijn vader kijkt me aan. Heel even ben ik bang dat hij me aan wil vliegen. In plaats daarvan doet hij een stap achteruit en steekt overdreven zijn handen omhoog.
‘Oké, oké,’ roept hij, ‘ik ben al weg. Ik bemoei me nergens meer mee, het is toch nooit goed wat ik doe.’
Iedereen kijkt. Zelfs de Polen, al verstaan die er geen klap van.
Ik weet niet wat ik moet doen. Hij gaat maar door en haalt er steeds meer dingen bij. Dat ik stronteigenwijs ben en altijd mijn eigen zin doordrijf. Dat ik nooit luister naar goede raad en altijd denk dat ik alles beter weet. Dat hij heus wel iets heeft opgestoken in alle uren dat hij langs de kant heeft staan kijken, maar dat hij kennelijk alleen goed genoeg is om voor chauffeur te spelen en de hotelrekening te betalen.
Stefan redt me. Hij loopt op mijn vader af, slaat een arm om zijn schouders en gebaart ondertussen dat ik me moet opstellen aan mijn kant van de loper.
In het voorbijgaan kijkt de Poolse me spottend aan.
Wacht maar, denk ik, en ik zet mijn masker op.
*
Nadat ik heb gewonnen is mijn vader de eerste die me komt feliciteren.
‘Zie je nou wel dat je het kan,’ zegt hij.
*