Een speciale boodschap van Cornelia Funke:
Voor mijn nieuwe boek Reckless heb ik me laten inspireren door de sprookjes van Grimm, die ik als kind tegelijk reuzespannend en doodeng vond. Maar de wereld waarin het speelt herinnert ook aan het Europa van de negentiende eeuw. Het is een sprookjeswereld die volwassen wil worden, waarin een keizerin ijzeren bruggen bouwt maar zich door dwergen laat bedienen, en waarin legers elkaar met geweren en kanonnen bestrijden, maar ook wel eens door de vloek van een fee verslagen worden.
Jullie leren Jacob Reckless kennen, die van alle helden die me ooit hebben aangemoedigd hun verhaal te vertellen veruit de meest onnadenkende en ongeduldige is. Zijn achternaam is ook de titel van het boek: Reckless – in het Nederlands kun je dat het beste met ‘roekeloos’ vertalen. Jacob doet zijn naam in alle opzichten eer aan. Ik moet bekennen dat ik zelden zo op een held gesteld ben geweest – hoewel ik hem eerst eigenlijk niets eens echt aardig vond. Ik hoop dat jullie hem met net zoveel plezier door zijn avonturen zullen volgen als ik dat gedaan heb. Ik ben heel benieuwd om te horen of jullie straks in Jacobs huid kruipen, of toch eerder in die van zijn broer Will, die hij probeert te redden. Misschien trekken jullie wel een rode vacht aan en veranderen jullie in Vos. Misschien worden jullie Clara, die verdwaald raakt in een andere wereld omdat ze de liefde achternagaat. Of jullie worden een van de goyl, die in alles op ons lijken, behalve dan dat ze een huid van steen hebben.
Jullie moeten door een spiegel om in die nieuwe wereld te komen – net als Jacob. Laten we achter hem aan gaan! Laten we op zoek gaan naar dwergen en eenhoorns, laten we in bed kruipen in het huis van een heks die kinderen opeet, laten we het spoor volgen naar het door rozen overwoekerde kasteel. Laten we lezen over de liefde tussen twee broers, maar ook over boosheid. Laten we luisteren naar verhalen over vriendschap, over bedrog en gebroken harten. Laten we een tijdje net zo roekeloos en onnadenkend zijn als Jacob. Let’s be Reckless for a while!
Jacobs eerste avontuur (ik hoop dat er nog minstens drie zullen volgen) verschijnt wereldwijd op 14 september 2010. Het is voor mij iets heel bijzonders dat mijn verhaal op dezelfde dag in zoveel talen uitkomt – en mijn eerste optreden in New York zal live op www.corneliafunkefans.com te zien zijn, zodat jullie er overal tegelijk van mee kunnen genieten. Ik verheug me er nu al enorm op. Het wordt een feestje voor de geboorte van mijn boek – en ik nodig jullie allemaal uit! Voor een verhalenverteller komt een boek pas echt tot leven als de eerste lezers het in hun handen hebben. Jullie moeten me een ding beloven. Als jullie het boek uit hebben, moeten jullie me laten weten wie jullie lievelingspersonage is. In wiens huid zijn jullie gekropen? Was het mensenhuid, vacht of steen? Ik wacht achter de spiegel op jullie, en dan wil ik er alles over horen!
1 Er was eens
De nacht ademde in en uit als een zwart dier. Het tikken van een klok. Het kraken van de houten vloer toen hij zijn kamer uit glipte – alles verdronk in de stilte. Maar Jacob hield van de nacht. Hij voelde de duisternis als een belofte op zijn huid. Als een jas die geweven was van vrijheid en gevaar.
Buiten verbleekten de sterren bij de felle lichten van de stad en het verdriet van zijn moeder hing muf in de grote flat. Ze werd niet wakker toen hij haar kamer in sloop en het laatje van het nachtkastje openmaakte. De sleutel lag naast de pillen die haar hielpen slapen. Met het koele metaal in zijn hand liep hij de donkere gang weer op.
In de kamer van zijn broer brandde zoals gewoonlijk nog licht – Will was bang in het donker – en Jacob controleerde of hij wel echt sliep voor hij de deur van de studeerkamer van zijn vader opendeed. Hun moeder was er sinds zijn vaders verdwijning niet meer geweest, maar Jacob ging er niet voor het eerst stiekem naar binnen. Hij zocht er naar antwoorden die zij hem niet geven wilde.
De kamer lag erbij alsof John Reckless een uur geleden nog aan zijn bureau had gezeten. In werkelijkheid was het ruim een jaar terug. Over de bureaustoel hing het gebreide vest dat hij vaak had gedragen, en een gebruikt theezakje lag uitgedroogd op een bord naast zijn agenda van vorig jaar.
Kom terug! Jacob schreef het met zijn vinger op de beslagen ramen, of het stoffige bureau en de ruitjes van de vitrine met de oude pistolen die zijn vader verzamelde. Maar de kamer bleef leeg en stil, en hij was twaalf en had geen vader. Jacob gaf een schop tegen de laden, die hij al zo vaak tevergeefs doorzocht had, smeet in sprakeloze woede boeken en tijdschriften van de planken, trok de modelvliegtuigjes die boven het bureau hingen naar beneden en schaamde zich voor de trots die hij gevoeld had toen hij een van die vliegtuigjes met een penseeltje rood had mogen lakken.
Kom terug! Hij wilde het wel uitschreeuwen door de straten, die zeven verdiepingen lager paden van licht tussen de huizenblokken baanden, en naar de duizend ramen die gele vierkantjes vormden in de nacht.
Het velletje viel uit een boek over vliegtuigmotoren, en Jacob raapte het alleen maar op omdat hij het handschrift van zijn vader dacht te herkennen. Hij zag meteen dat hij zich vergiste. Symbolen en vergelijkingen, een schets van een pauw, een zon, twee manen. Het sloeg allemaal nergens op. Behalve die ene zin, die hij op de achterkant vond.
DE SPIEGEL GAAT ALLEEN OPEN VOOR WIE ZICHZELF NIET KAN ZIEN.
Jacob draaide zich om en zag zijn spiegelbeeld terugkijken.
De spiegel. Hij kon zich de dag dat zijn vader hem opgehangen had nog precies herinneren. Als een glanzend oog hing hij tussen de boekenkasten. Een glazen afgrond die een vertekend beeld gaf van alles wat John Reckless achtergelaten had: zijn bureau, de oude pistolen, zijn boeken – en zijn oudste zoon.
Het glas was zo bobbelig dat je jezelf er amper in kon herkennen, en donkerder dan dat van de meeste spiegels, maar de rozenranken rond de zilveren lijst leken net echt, alsof ze elk moment konden verwelken.
Jacob deed zijn ogen dicht.
Hij ging met zijn rug naar de spiegel staan.
Voelde achter de lijst of er ergens een slot of een grendel zat.
En keek elke keer weer alleen zijn eigen spiegelbeeld in de ogen.
Het duurde een hele tijd voor Jacob het begreep.
DE SPIEGEL GAAT ALLEEN OPEN VOOR WIE ZICHZELF NIET KAN ZIEN.
Zijn hand was nauwelijks groot genoeg om zijn vertekende gezicht helemaal af te dekken, maar het glas vlijde zich tegen zijn vingers alsof het op hem gewacht had. Opeens was de kamer die hij in de spiegel zag niet meer de studeerkamer van zijn vader.
Jacob draaide zich om. Door twee smalle ramen viel maanlicht op grijze muren, en hij stond met zijn blote voeten op een houten vloer die bezaaid was met eikeldopjes en afgeknaagde vogelbotjes. De kamer was niet veel groter dan die van zijn vader, maar hoog boven zijn hoofd zag Jacob spinnenwebben als sluiers aan de dakbalken hangen.
Waar was hij? Het maanlicht tekende vlekken op zijn huid terwijl hij naar een van de ramen toe liep. Aan het ruwe kozijn plakten bloederige vogelveren, en in de diepte zag hij verschroeide muren en zwarte heuvels waartussen een paar verdwaalde lichtjes fonkelden. Hij stond in een toren. Verdwenen waren de zee van huizen en de verlichte straten. Alles wat hij kende was weg. En tussen de sterren stonden twee manen, de kleinste van de twee rood als een verroeste munt.
Jacob keek om naar de spiegel en zag de angst in zijn eigen ogen. Maar angst was een gevoel waar hij wel van hield. Het lokte hem naar duistere oorden, door verboden deuren, ver bij hemzelf vandaan. Het doofde zelfs het verlangen naar zijn vader.
Er zat geen deur in de grijze muren, alleen een luik in de vloer. Door het gat zag Jacob de resten van een verbrande trap die in het donker verdween, en even dacht hij daarbeneden een piepklein mannetje langs de muur omhoog te zien klauteren. Op dat moment hoorde hij achter zich iets scharrelen. Hij draaide zich geschrokken om.
Spinrag dwarrelde omlaag. Iets sprong hem hees grommend op zijn nek. Het klonk als een dier, maar het verwrongen gezicht met de ontblote tandjes was grauw en gerimpeld als bij een oud mannetje. Het mannetje was veel en veel kleiner dan Jacob en zo mager als een sprinkhaan. Zijn kleren leken gemaakt van spinnenweb. Het grijze haar hing tot op zijn heupen, en toen Jacob hem bij zijn schrale nekje greep, zonken de gele tandjes diep weg in zijn hand. Met een schreeuw duwde hij de aanvaller van zijn schouder. Het mannetje likte het bloed van zijn lippen en kwam opnieuw op hem af. Jacob schopte naar hem en rende struikelend naar de spiegel. De spinnenman krabbelde overeind, maar voor hij bij hem kon komen legde Jacob zijn ongeschonden hand al op zijn angstige gezicht. Het sprietige figuurtje verdween tegelijk met de grijze muren. In de spiegel zag hij weer het bureau van zijn vader.
‘Jacob?’
De stem van zijn broertje kwam nauwelijks boven het bonken van zijn hart uit. Snakkend naar adem deed Jacob een stap bij de spiegel vandaan.
‘Jacob, ben jij daar?’
Hij trok zijn mouw over de beet in zijn hand en deed de deur open.
Wills ogen waren groot van angst. Hij had weer eng gedroomd. Broertje. Will liep als een jong hondje achter hem aan, en Jacob beschermde hem op het schoolplein en in het park. En soms vergaf hij hem dat hun moeder het meest van hem hield.
‘Mama zegt dat we daar niet mogen komen.’
‘Sinds wanneer doe ik wat mama zegt? Als je het verder vertelt neem ik je nooit meer mee naar het park.’
Jacob voelde het glas van de spiegel in zijn nek, bijna als ijs. Will probeerde de kamer in te kijken, maar boog zijn hoofd toen Jacob de deur achter zich dichttrok. Will, zo behoedzaam als hij onstuimig, zo zachtaardig als hij opvliegend, zo rustig als hij ongedurig was. Toen hij Jacobs hand wilde pakken zag Will het bloed aan diens vingers. Hij keek hem vragend aan, maar Jacob trok hem zonder iets te zeggen mee naar zijn kamer.
Wat de spiegel hem had laten zien, was van hem. Alleen van hem.
2 Twaalf jaar later
De zon stond al laag boven de muren van de ruïne, maar Will sliep nog steeds, uitgeput van de pijn die hem nu al dagen kwelde.
Een fout, Jacob, na al die jaren van voorzichtigheid.
Al die jaren waarin hij een hele wereld de zijne had genoemd. Voorbij. Al die jaren waarin die vreemde wereld een thuis was geworden. Op zijn vijftiende was hij al voor weken achter de spiegel verdwenen. Op zijn zestiende had hij de maanden niet eens meer geteld, en toch had hij zijn geheim weten te bewaren. Tot hij een keer te veel haast had gehad.
Hou maar op, Jacob. Niets meer aan te doen.
Hij richtte zich op en dekte Will toe met zijn jas. De wonden in de nek van zijn broer waren goed genezen, maar op zijn linkeronderarm was het steen al te zien. De lichtgroene aderen liepen door tot in zijn hand en glansden als gepolijst marmer op de zachte huid.
Eén foutje maar.
Jacob leunde tegen een van de roetzwarte zuilen en keek op naar de toren waarin de spiegel stond. Hij was er nooit doorheen gegaan zonder eerst te controleren of Will en zijn moeder sliepen, nooit. Maar sinds haar dood was er aan de andere kant nog een lege kamer bij gekomen, en hij had er zo naar verlangd om zijn hand weer op het donkere glas te leggen en weg te wezen. Ver weg. Ongeduld, Jacob. Noem het maar bij z’n naam. Een van je meest opvallendste eigenschappen.
Hij zag weer voor zich hoe Wills gezicht achter hem in de spiegel opdook, vertekend door het donkere glas. ‘Waar ga je heen, Jacob?’ Een nachtvlucht naar Boston, een reis naar Europa – in de loop van de jaren had hij ontelbare smoezen verzonnen. Hij was net zo’n vindingrijke leugenaar als zijn vader. Maar zijn hand had al op het koele glas gelegen, en natuurlijk had Will zijn voorbeeld gevolgd.
Broertje.
‘Hij ruikt al net zoals zij.’
Vos maakte zich los uit de schaduw van de verwoeste muren. Haar vacht was vuurrood, alsof de herfst zelf de kleuren gemengd had, en aan haar achterpoot waren de littekens van de klem nog te zien. Het was nu vijf jaar geleden dat Jacob haar eruit bevrijd had, en sindsdien week de moervos niet van zijn zijde. Ze waakte over hem als hij sliep, waarschuwde hem voor gevaren die hij met zijn afgestompte mensenzintuigen zelf niet waarnam en gaf raad die hij maar beter kon opvolgen.
Eén foutje.
Jacob liep onder de poort door, waar in de verbogen scharnieren nog de verkoolde resten van de kasteeldeuren hingen. Op de trap ervoor raapte een kaboutertje eikeltjes van de gebarsten treden op. Toen Jacobs schaduw over hem heen viel ging hij er haastig vandoor. Puntneusjes en rode oogjes, broekjes en hemdjes gemaakt van gestolen mensenkleren – de ruïne krioelde ervan.
‘Stuur hem terug! Daar zijn we toch voor gekomen?’ Het ongeduld in Vos’ stem kon Jacob moeilijk ontgaan.
Maar hij schudde zijn hoofd. ‘Het was verkeerd om hierheen te komen. Maar aan de andere kant kan niemand iets voor hem doen.’
Jacob had Vos verteld van de wereld waar hij vandaan kwam, maar ze wilde er eigenlijk niets over horen. Wat ze wist was genoeg: dat hij er veel te vaak in verdween en dan terugkwam met herinneringen die hem als schaduwen achtervolgden.
‘Nou en? Wat denk je dat er hier met hem gaat gebeuren?’ Al zei Vos het niet hardop, maar Jacob wist precies wat ze dacht. In deze wereld sloegen mannen hun eigen zonen dood als ze het steen in hun huid ontdekten.
Hij keek neer op de rode daken die aan de voet van de kasteelberg in de schemering opgingen. In Schwanstein sprongen de eerste lichtjes aan. Vanuit de verte was de stad net een plaatje op een koekblik, maar sinds een paar jaar liepen er spoorrails door de bergen erachter, en uit fabrieksschoorstenen walmde grijze rook de avondlucht in. De wereld achter de spiegel wilde volwassen worden. Maar het stenen vlees dat in zijn broertje groeide was niet gezaaid door mechanische weefgetouwen, treinen of andere moderne verworvenheden, maar door de oude toverkracht die huisde in de bergen en de bossen.
Een goudraaf streek neer op de gebarsten tegels. Jacob joeg hem weg voor hij Will een van zijn boosaardige toverspreuken in het oor kon krassen.
Zijn broer kreunde in zijn slaap. Het menselijk lichaam gaf zich niet zonder slag of stoot gewonnen, en Jacob voelde de pijn als die van hemzelf. Alleen uit liefde voor zijn broer was hij telkens weer teruggegaan naar de andere wereld, al waren zijn bezoekjes met de jaren steeds schaarser geworden. Zijn moeder had gehuild en met de kinderbescherming gedreigd, zonder ooit te vermoeden waar hij heen ging, maar Will had zijn armen om Jacobs nek geslagen en gevraagd wat hij voor hem meegebracht had. Kabouterschoentjes, het mutsje van een duimelijn, een knoop van elfenglas, een reepje geschubde huid van een watergeest – Will had al Jacobs cadeautjes onder zijn bed verstopt, en hij dacht altijd dat de verhalen die zijn broer erbij vertelde sprookjes waren die hij speciaal voor hem verzon.
Nu wist hij dat het allemaal waar was.
Jacob trok de jas over de verminkte arm van zijn broer. Aan de hemel waren de twee manen al te zien.
‘Pas goed op hem, Vos.’ Hij kwam overeind. ‘Ik ben gauw weer terug.’
‘Waar wou heen? Jacob!’ Vos versperde hem de weg. ‘Niemand kan meer iets voor hem doen!’
Jacob duwde haar opzij. ‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei hij. ‘Laat Will niet de toren in.’
Vos keek hem na toen hij de trap af liep. De voetsporen op de bemoste treden waren allemaal van hem. Hierboven kwam verder geen mens. Er werd gezegd dat de ruïne vervloekt was, en Jacob kende inmiddels tientallen verhalen over de ondergang van het kasteel, maar na al die jaren wist hij nog steeds niet wie de spiegel in de toren had gezet. Net zomin als hij er ooit achter gekomen was waar zijn vader gebleven was.
Een duimelijn sprong in zijn kraag. Jacob kreeg hem nog net te pakken voor hij het medaillon van zijn hals kon grissen. Elke andere dag zou hij meteen achter de kleine dief aan zijn gegaan. Duimelijnen gingen ervandoor met alles wat waardevol was en verstopten het in hun holle bomen. Maar hij had al veel te veel tijd verdaan.
Eén foutje, Jacob.
Hij zou het rechtzetten. Maar Vos’ woorden volgden hem de steile helling af.
Niemand kan meer iets voor hem doen.
Als dat waar was, had hij straks geen broertje meer. Niet in deze wereld, niet in die andere.
Eén foutje.
Goyl
Het veld waar Hentzau met zijn soldaten doorheen reed rook nog naar bloed. De regen had de zwaar bevochten loopgraven gevuld met modderwater, en achter de muren die beide partijen als dekking hadden opgericht lag de grond bezaaid met achtergelaten geweren en kapotgeschoten helmen. Kami’en had de paarden- en mensenlijken laten verbranden voor ze konden gaan rotten, maar de gevallen goyl lagen nog waar ze gesneuveld waren. Over een paar dagen al zouden ze niet meer te onderscheiden zijn van de keien die uit de omwoelde aarde staken, en zoals gebruikelijk bij de goyl, waren de hoofden van de strijders die in de voorste linies gevochten hadden naar de koningsvesting gestuurd.
Weer een veldslag. Hentzau had er schoon genoeg van - hopelijk was deze voor een hele tijd de laatste. De keizerin was eindelijk bereid om te onderhandelen, en zelfs Kami’en wilde vrede. Hentzau hield een hand voor zijn gezicht toen de wind de as van de heuvel blies waar ze de lijken verbrand hadden. Zes jaar boven de grond, zes jaar zonder de veilige rots tussen hem en de zon. Zijn ogen deden pijn van al dat licht en zijn huid was bros van de kou, die met de dag erger werd. Hij had een bruine jaspishuid. Niet de beste kleur voor een goyl. Hij was als eerste jaspisgoyl in de hoogste rangen van het leger doorgedrongen, maar vóór Kami’en hadden de goyl ook nog nooit een koning gehad, en Hentzau was heel tevreden met zijn huid. Jaspis bood een veel betere schutkleur dan onyx of maansteen.
Kami’en had niet ver van het slachtveld kwartier gemaakt, in het jachtslot van een keizerlijke generaal, die net als de meeste van zijn officiers gesneuveld was. De wachters voor de verwoeste poort salueerden toen ze Hentzau zagen aankomen. De ‘bloedhond van de koning’ noemden ze hem, zijn ‘jaspisschaduw’. Hentzau diende al onder Kami’en sinds ze samen de andere aanvoerders verslagen hadden. Twee jaar hadden ze erover gedaan om hun vijanden uit de weg te ruimen, en daarna hadden de goyl hun eerste koning gekregen.
De straat die van de poort omhoogliep naar het slot was omzoomd met witmarmeren beelden. Terwijl Hentzau ertussendoor reed amuseerde hij zich niet voor het eerst met de gedachte dat mensen hun goden en helden in steen vereeuwigden, maar de goyl, zijn soortgenoten, juist om hun huid verafschuwden. Maar zelfs de weekhuiden moesten het toegeven: steen was het enige dat bleef.
De ramen van het slot waren dichtgemetseld, zoals de goyl bij alle gebouwen deden die ze innamen, maar pas op de trap naar de kelders werd Hentzau eindelijk omringd door de weldadige duisternis die alleen onder de grond te vinden was. Een paar schaarse gaslampen verlichtten de gewelven, waar de voorraden en stoffige jachttrofeeën verdwenen waren en waar nu de generale staf van de koning van de goyl huisde.
Kami’en. Zijn naam betekende in hun taal niets anders dan ‘steen’. Zijn vader had het bevel gevoerd over een van de ondergrondse steden, maar vaders speelden bij de goyl geen grote rol. Goyl werden opgevoed door hun moeder en waren op hun negende volwassen en op zichzelf aangewezen. De meeste gingen daarna op verkenningstocht in de ondergrondse wereld, op zoek naar onontdekte grotten, tot de hitte zelfs voor stenen huid ondraaglijk werd. Maar Kami’en was altijd alleen in de bovengrondse wereld geïnteresseerd geweest. Lange tijd had hij in een van de grotsteden gewoond, die de goyl boven de grond gebouwd hadden omdat het in de steden beneden te vol werd. Daarna was hij begonnen hun wapens en krijgstactieken te bestuderen; hij was hun steden en legerkampen binnengeslopen, en op zijn negentiende had hij hun eerste stad veroverd.
Toen de lijfwachten Hentzau binnenlieten, stond Kami’en voor de kaart waarop zijn veroveringen en de posities van zijn tegenstanders aangegeven werden. De beeldjes die de troepen symboliseerden had hij na de eerste gewonnen veldslag laten maken. Cavaleristen, soldaten, kanonniers, scherpschutters. De goyl waren van carneool, de keizerlijken van zilver, Lotharingen droeg goud, de legers in het oosten koper en de troepen van Albion marcheerden in ivoor. Kami’en keek op de beeldjes neer alsof hij op een manier zon om al zijn vijanden in één klap te verslaan. Zoals altijd als hij zijn uniform niet aanhad, droeg de koning zwart, waar zijn rode huid vurig bij afstak. Nooit eerder had een aanvoerder de kleur van carneool gehad. Bij de goyl was onyx de kleur van de vorsten.
Kami’ens geliefde droeg zoals gewoonlijk groen; lagen smaragdkleurig fluweel die haar omhulden als de blaadjes van een bloem. Naast haar verbleekte zelfs de mooiste goylvrouw als kiezel naast geslepen maansteen, maar Hentzau verbood zijn soldaten naar haar te kijken. Niet voor niets bestonden er verhalen over feeën die mannen met één blik in distels of hulpeloos spartelende vissen veranderden. Haar schoonheid was spinnengif. Zij en haar zusters waren uit water geboren, en Hentzau was net zo bang voor hen als voor de zeeën die aan de rotsen van deze wereld likten.
De fee liet haar blik vluchtig over hem heen glijden toen hij binnenkwam. De Zwarte Fee. Zelfs haar eigen zusters hadden haar verstoten. Het gerucht ging dat ze gedachten kon lezen, maar dat geloofde Hentzau niet. Dan had ze hem allang vermoord, met alles wat hij over haar dacht.
Hij keerde haar de rug toe en boog zijn hoofd voor de koning. ‘U hebt mij ontboden.’
Kami’en pakte een van de zilveren beeldjes en woog het in zijn hand. ‘Je moet iemand voor me opsporen. Een mens die het stenen vlees krijgt.’
Hentzau wierp een vlugge blik op de fee.
‘Waar moet ik zoeken?’ protesteerde hij. ‘Daar zijn er intussen duizenden van.’
Mensengoyl. Vroeger had hij zijn klauwen gebruikt om mee te doden, maar dankzij de toverkunsten van de fee zaaiden diezelfde klauwen nu het stenen vlees. Net als alle feeën kon ze geen kinderen baren, dus schonk ze Kami’en zonen door middel van de klauwen van zijn soldaten, die met elke houw goyl maakten van hun menselijke tegenstanders. Niemand streed hardvochtiger dan een mensengoyl tegen zijn vroegere soortgenoten, maar Hentzau had net zo’n hekel aan hen als aan de fee die hen tevoorschijn getoverd had.
Om Kami’ens mond speelde een glimlachje. Nee, de fee kon Hentzaus gedachten niet lezen. Maar zijn koning wel.
‘Maak je geen zorgen. Degene die je voor me moet halen is makkelijk te herkennen.’ Kami’en zette het zilveren beeldje weer op de kaart. ‘Zijn nieuwe huid is namelijk van jade.’
De wachters keken elkaar verrast aan, maar Hentzau trok een ongelovig gezicht. De lavamannetjes die het bloed van de aarde kookten, de vogel zonder ogen die alles zag – en de goyl met de huid van jade, die de koning die hij diende onoverwinnelijk maakte… verhalen die ze hun kinderen vertelden om de duisternis onder de grond te vullen met beelden.
‘Welke spion heeft u dat wijsgemaakt?’ Hentzau streek over zijn pijnlijke arm. Nog even en het zou zo koud worden dat zijn huid versplinterende als glas. ‘Laat hem executeren. De jadegoyl is een sprookje. Sinds wanneer kunt u sprookjes en werkelijkheid niet meer uit elkaar houden?’
De wachters keken zenuwachtig naar de grond. Elke andere goyl zou deze woorden met zijn leven hebben moeten bekopen, maar Kami’en haalde onverschillig zijn schouders op.
‘Ga hem zoeken!’ zei hij. ‘Ze heeft van hem gedroomd.’
Ze. De fee streek haar fluwelen jurk glad. Zes vingers aan elke hand. Voor elke vloek één. Hentzau voelde woede opkomen. Een woede die elke goyl meedroeg in zijn stenen vlees, als de hitte in de schoot van de aarde. Hij zou voor zijn koning sterven als dat nodig was, maar achter de hersenspinsels van zijn geliefde aan jagen was nog iets heel anders.
‘Uwe majesteit heeft geen jadegoyl nodig om onoverwinnelijk te zijn.’
Kami’en keek hem aan alsof hij een vreemde was.
Uwe majesteit. Hentzau betrapte zichzelf er steeds vaker op dat hij zijn koning niet meer bij zijn naam durfde te noemen.
‘Ga hem zoeken,’ herhaalde Kami’en. ‘Ze zegt dat het belangrijk is, en tot nu toe heeft ze altijd gelijk gehad.’
De fee kwam naast hem staan en Hentzau stelde zich voor hoe hij haar bleke keeltje dicht zou knijpen. Ook dat schonk geen troost. Ze was onsterfelijk, en op een dag zou zij hém zien sterven. Hem en Kami’en. En diens kinderen en kindskinderen. Allemaal waren ze haar speeltjes, haar sterfelijke, stenen speeltjes. Maar Kami’en hield van haar, meer dan van de twee goylvrouwen die hem drie dochters en een zoon geschonken hadden.
Ja, omdat ze hem behekst heeft, fluisterde een stemmetje in Hentzaus binnenste. Maar hij boog zijn hoofd en bracht zijn vuist naar zijn hart. ‘Zoals u beveelt.’
‘Ik heb hem gezien in het Donkere Bos.’ Zelfs haar stem klonk als water.
‘Dat is meer dan zestig vierkante mijl groot!’
De fee glimlachte, en Hentzau voelde hoe haat en angst zijn hart verkilden.
Zonder een woord te zeggen haalde ze de parelmoeren spelden uit haar opgestoken haar en schudde het met handen los. Zwarte motten fladderden tussen haar vingers vandaan. Op hun vleugels zaten grijzige vlekken die aan doodshoofden deden denken. De wachters gooiden vlug de deuren open toen de zwerm hun kant op kwam, en ook Hentzaus soldaten, die buiten op de gang stonden te wachten, deinsden terug bij de aanblik. Iedereen wist dat de angels van de motten zelfs door goylhuid heen gingen.
De fee stak de spelden weer in haar haar. ‘Als ze hem gevonden hebben komen ze naar je toe,’ zei ze zonder Hentzau aan te kijken, ‘en dan breng jij hem meteen bij mij.’
Zijn mannen staarden haar vanuit de deuropening aan, maar toen Hentzau zich omdraaide bogen ze snel hun hoofd.
Fee.
Dat ze vervloekt mocht worden - zij en de nacht waarin ze opeens tussen hun tenten stond. De derde veldslag, de derde overwinning. En zij was op de tent van de koning af gestapt alsof het gekerm van de gewonden en de witte maan die boven de doden stond haar voortgebracht hadden. Hentzau had haar de weg versperd, maar ze was dwars door hem heen gelopen, als water door poreus gesteente, alsof ook hij al dood was, en had het hart van zijn koning gestolen om het in haar eigen harteloze borst te stoppen.
Zelfs Hentzau moest toegeven dat ook het machtigste wapen minder angst zaaide dan de vloek die het weke vlees van haar tegenstanders in steen veranderde. Maar hij was ervan overtuigd dat ze de oorlog ook zonder haar gewonnen zouden hebben, en dat de overwinning dan zoveel zoeter zou hebben gesmaakt.
‘Ik vind die jadegoyl ook wel zonder uw motten,’ zei hij. ‘Als hij tenminste méér is dan een droom.’
Ze antwoordde hem met een lachje. Het volgde hem de hele weg omhoog naar het daglicht, dat zijn blik troebel maakte en zijn huid deed barsten als brokkelige klei.
Dat ze vervloekt mocht worden.