Fragment uit Iedereen was er
De eekhoorn kon niet slapen. Hij liep van zijn deur om zijn
tafel heen naar zijn kast, bleef daar even staan, aarzelde of hij de
kast zou opendoen, deed hem niet open, liep langs de andere kant
van de tafel naar de deur en begon opnieuw.
Misschien loop ik zo wel door tot het ochtend wordt, dacht hij.
Want erg moe of slaperig werd hij niet.
Maar plotseling hoorde hij stemmen buiten, in het donker. Hij
kende die stemmen niet. Hij hield zijn oor tegen de muur.
Hij kon de stemmen bijna verstaan. Ze hadden het over hem.
‘Hier woont de eekhoorn.’
‘O ja?’
‘Ja.’
‘Wat is dat eigenlijk voor iemand?’
‘De eekhoorn?’
‘Ja.’
‘Tja... Als ik je dat vertel... Hoe moet ik het zeggen... Hij is heel
erg schmwlfgrstkpl.’
‘Wat?’ had de eekhoorn willen roepen. Maar hij hield zich nog
net op tijd in.
‘Schmwlfgrstkpl?’ zei de ene stem.
‘Ja,’ zei de ander.
‘Ach, wat vind ik dát interessant. Is hij dat altijd?’
‘Bijna altijd.’
‘En als hij dat niet is?’
‘Dan is hij tnlkrpsrt.’
‘Dat geloof ik niet!’
‘Het is echt waar!’
‘Ach...!’
De eekhoorn wilde zijn oor wel door de muur heen duwen. Hij
kon nét niet verstaan wat hij bijna altijd was en wat een enkele keer.
‘Ik vind dat ongelooflijk,’ zei de ene stem.
‘Dat is het ook,’ zei de ander.
‘En hij woont hier?’
‘Ja.’
Even was het stil.
‘Ja, schud je hoofd maar,’ zei de een.
‘Ach, ach...’ zei de ander.
De eekhoorn viel nu bijna om. De tranen sprongen in zijn ogen.
Waarom spraken ze ook niet duidelijker? En wie waren ze eigenlijk?
Wat deden ze daar, midden in de nacht?
Toen hoorde hij de stemmen wegsterven. Brzt, hoorde hij nog.
En knklpr. En toen niets meer.
Hij ging op bed liggen, op zijn rug, en keek naar zijn plafond.
Lange tijd dacht hij na over wat hij was. Ik ben nu in elk geval heel
verdrietig, dacht hij. Als ik nu met mijzelf over mijzelf zou praten
zou ik zeggen: ik vind de eekhoorn heel verdrietig. Ja, zou ik antwoorden,
ik ook.
Plotseling schoot hij overeind. Dat is waar ook, dacht hij.
Hij sprong uit zijn bed en liep naar zijn kast. Hij trok een la
open. Daarin lag een klein briefje, met kleine kriebelige letters geschreven,
dat hij lang geleden eens onder zijn deur had gevonden:
Beste eekhoorn,
Ik vind jou heel bijzonder,
heel heel bijzonder.
Er stond geen naam onder. Onder de laatste zin was het briefje afgescheurd.
De eekhoorn had er lang over nagedacht wie dat briefje
aan hem gestuurd kon hebben. Maar hij was daar nooit achter gekomen.
Hij gooide zijn raam open. De maan scheen laag tussen de takken
van de beuk door en de eekhoorn las het briefje zo hard mogelijk
op.
Het was stil buiten. Een paar sterren flonkerden.
Misschien horen ze me nog, dacht hij, en zeggen ze tegen elkaar:
ja, dat is waar, hij is altijd heel heel bijzonder...
Toen deed hij het raam dicht en stapte weer in bed.
Geachte eekhoorn,
Ik vernam onlangs langs schriftelijke weg
dat u niet kunt slapen.
Dat is zeer onaangenaam, dat weet ik.
Persoonlijk schrijf ik mijzelf altijd in slaap.
Misschien dat u dat ook eens kunt proberen,
verre pennenvriend. (Zo mag ik u toch wel
noemen? Zo niet, dan bied ik u mijn excuses
aan voor deze schriftelijke vrijmoedigheid.
Ik lijd trouwens aan talrijke schriftelijke
kwalen en hebbelijkheden. Maar daarover
schrijf ik u later eens uitvoeriger, als u mij
toestaat.)
Ik schrijf in het algemeen het volgende:
ach ja ik schrijf maar wat laat ik maar
wat schrijven ik schrijf maar raak hoe
schrijf ik ook alweer laat ik maar door
ik bedoel ik schrijf maar door schrijf zo
maar zachtjes altijd maar door schrijf
ik zo maar zzzzzzoooooo maar zzzz
zzz
Meer stond er niet in de brief die de eekhoorn op een avond kreeg.
Hij maakte hem open en begon te lezen. Maar voor hij hem uit had
sliep hij al, met de brief onder zijn hoofd op de tafel.
De wind stak op, begon te gieren en te loeien, rukte de brief los
en blies hem door de deur weg.
Maar soms is de wind nieuwsgierig, en halverwege de lucht las
hij de brief.
Hij ging meteen liggen.
Het werd heel stil in het bos. De brief dwarrelde door de lucht
en viel in de rivier, waar de karper hem las.
Toen de karper sliep dreef de brief naar zee. Daar lazen de dolfijn
en de potvis en de walvis hem, en daarna alle andere vissen en
de vogels die op het water zaten, en de dieren die daar toevallig een
eindje rondzwommen, zomaar, voor hun plezier.
Tot aan de verste stranden van de oceaan viel iedereen in slaap
die de brief van de secretarisvogel las, op een avond in de zomer.
De zon kwam op en de krekel zat in het gras, aan de rand van
het bos.
Hij had geslapen en wreef zijn ogen uit.
Er lag dauw op het gras en in de struik weefde de spin een klein,
glinsterend web.
De krekel keek naar de horizon, waar juist iets roods bovenuit
kwam. Zou dat de zon zijn? dacht hij. Of zou het misschien iets
anders zijn?
Verontrust keek hij naar het grote rode ding dat langzaam groter
werd. Hij fronste zijn wenkbrauwen en liep langs het bos. Na
een tijd kwam hij de tor tegen.
‘Dag tor,’ zei de krekel.
‘Dag krekel,’ zei de tor.
‘Weet jij misschien wat daar omhoogklimt?’ vroeg de krekel en
hij wees naar de horizon.
‘Dat is de zon,’ zei de tor.
‘De zon...’ zei de krekel. ‘Weet je dat zeker? Twijfel je niet?’
De tor aarzelde even. ‘Het is de zon,’ zei hij. ‘Tenminste...’
De krekel sprong de lucht in.
‘Je twijfelt! Je twijfelt!’ riep hij. ‘En ik twijfelde ook al! We twijfelen
dus allebei! Dan is het vast iets anders!’
Toen de schildpad even later ook twijfelde, wist de krekel het
zeker: het was niet de zon, maar iets anders wat in de verte langzaam
boven de bomen uit klom. Want als het de zon wel was dan
zou niemand twijfelen, dat wist hij zeker.
Met grote passen liep hij door het bos.
‘Dat is de zon niet,’ zei hij tegen iedereen die hij tegenkwam,
terwijl hij naar het ding in de hemel wees, dat steeds hoger klom.
‘O nee?’ zeiden de dieren.
‘Nee,’ zei de krekel. ‘Wat het wel is weet ik niet. Maar het is niet
de zon. Dat is zeker.’
Verbaasd bleven de dieren staan en keken de lucht in. Het onbekende
ding scheen en was warm en oogverblindend. Maar dat kon
toeval zijn, meende de kever. Of tijdelijk, zei de otter. Met onbekende
dingen weet je zoiets nooit.
Tegen het eind van de middag wist iedereen dat de zon niet
scheen die dag, maar iets anders. Zelfs de aardworm en de mol,
diep onder de grond, wisten het, en het vuurvliegje in het struikgewas,
en de inktvis op de bodem van de zee.
‘Hè, hè,’ zei de aardworm tegen de mol. ‘Eindelijk eens iets anders
in de lucht.’
‘Ik hoop wel dat het zwart is,’ zei de mol. Maar toen hij nieuwsgierig
zijn hoofd boven de grond uit stak zag hij niets zwarts hangen,
maar iets groots en schels, en trok hij snel zijn hoofd weer terug.
‘Het is geen verbetering,’ zei hij tegen de aardworm.
‘Nee,’ zei de aardworm. Op verbeteringen rekende hij nooit.
Tegen de avond ging het onbekende ding onder en werd het
schemerig in het bos. ‘Het is wel gewone schemering,’ zeiden de
dieren tegen elkaar. Ze waren het daar allemaal over eens.
Aan de rand van het bos trok de krekel een grasspriet over zich
heen en dacht: ik ben heel benieuwd wat er morgen opkomt. Hij
fronste zijn wenkbrauwen en dacht: áls er iets opkomt...
Maar toen hij de volgende ochtend wakker werd kwam de zon
net boven de horizon uit. De krekel keek en zag dat het de zon was.
Daar is geen twijfel aan! dacht hij. Hij maakte een paar vrolijke
sprongen in het zachte ochtendlicht. Ik heb trouwens genoeg van
twijfelen, dacht hij en hij nam zich voor nooit meer te twijfelen,
wat er ook vanachter de horizon tevoorschijn kwam.
Hij holde langs het bos en riep: ‘De zon! De zon!’ en wees hem
iedereen die wakker werd aan.
‘Ja,’ zeiden de dieren opgelucht. ‘Het is de zon.’
Ze gingen in het gras onder de bomen liggen of in het struikgewas
zitten en lieten de zon op zich schijnen of vielen in slaap van
louter tevredenheid.