Fragment uit Magiek
1
Iets in de sneeuw
Silas Heap trok zijn mantel dicht om zich heen tegen de sneeuw. Hij had een lange wandeling door het Woud achter de rug en was tot op het bot verkleumd. Maar in zijn zakken droeg hij de kruiden die Galen de Genezeres hem had gegeven voor zijn jongste zoon Septimus, die eerder die dag geboren was.
Silas naderde de Burcht en hij kon tussen de bomen de lichtjes zien flikkeren, want in de vensters van de hoge, smalle huizen die dicht opeen langs de buitenste muren stonden, waren kaarsen neergezet. Het was de langste nacht van het jaar en de kaarsen zouden tot aan de dageraad blijven branden en helpen het duister op afstand te houden. Silas was altijd dol op deze wandeling naar de Burcht. Overdag was hij niet bang voor het Woud en genoot hij van de vredige wandeling over het smalle pad dat kilometer na kilometer tussen de dicht opeen groeiende bomen door kronkelde. Hij was nu bijna aan de rand van het Woud; de hoge bomen groeiden hier wat verder uit elkaar, en nu het pad naar de bodem van de vallei dook, zag Silas hoe de Burcht zich voor hem uitstrekte. De oude muren stonden aan de brede, bochtige rivier en zigzagden rondom de schots en scheef door elkaar staande groepjes huizen. Alle huizen waren in vrolijke kleuren geschilderd, en de huizen die op het westen uitkeken, leken wel in brand te staan, want hun ramen vingen de laatste winterzonnestralen op.
De Burcht was als een klein dorp begonnen. Omdat ze zo dicht bij het Woud woonden, hadden de dorpsbewoners een aantal hoge stenen muren opgetrokken als bescherming tegen de veelvraten, heksen en tovenaars, die het heel gewoon vonden om hun schapen, kippen en af en toe ook hun kinderen te stelen. Naarmate er meer huizen kwamen, werden de muren uitgebreid en werd een diepe slotgracht gegraven, zodat iedereen zich veilig voelde.
Al snel trok de Burcht bekwame ambachtslieden uit andere dorpen aan, werd welvarend en groeide, zozeer zelfs dat de inwoners gebrek aan ruimte begonnen te krijgen, tot iemand besloot de Wildgroei te bouwen. De Wildgroei, waar Silas, Sarah en de jongens woonden, was een reusachtig stenen bouwwerk dat zich aan de oevers van de rivier verhief. Het strekte zich langs de rivier uit over een afstand van wel vijf kilometer en vandaar weer terug de Burcht in. Het was een lawaaiig, overvol bouwsel met een doolhof van gangen en kamers, vol fabriekjes, scholen en winkels en woonkamers door elkaar, piepkleine daktuintjes en zelfs een theater. Er was niet veel ruimte in de Wildgroei, maar dat gaf niet. Het was er gezellig en voor de kinderen was er altijd wel iemand om mee te spelen.
De winterzon daalde achter de muren van de Burcht en Silas versnelde zijn pas. Hij moest bij de Noordpoort zien te komen voordat ze die bij het vallen van de nacht sloten en de brug ophaalden.
Juist op dat moment voelde Silas dat er iets was, vlakbij. Iets wat leefde, maar ook niet meer dan dat. Hij merkte dat er ergens dicht bij hem heel zwak een mensenhart klopte. Silas stond stil. Als Gewone Tovenaar was hij in staat dingen te voelen, maar omdat hij niet zo’n bijzonder goede Gewone Tovenaar was, moest hij zich heel erg concentreren. Hij bleef staan terwijl om hem heen de sneeuw snel viel en zijn voetstappen al bedekte. En toen hoorde hij iets – een gesnif, een gekreun, een heel zacht ademhalen? Hij wist het niet zeker, maar het was genoeg.
Onder een struik naast het pad lag een bundeltje. Silas pakte het op en keek tot zijn verbazing recht in de ernstige ogen van een piepkleine baby. Silas nam het kindje in zijn armen en vroeg zich af hoe het daar op de koudste dag van het jaar in de sneeuw was komen te liggen. Iemand had het stevig in een zware wollen deken gehuld, maar het was al erg koud: de lippen waren donkerblauw en de sneeuw lag als poeder op de oogleden. Terwijl de donkerviolette ogen van het kindje hem strak aanstaarden, kreeg Silas het onbehaaglijke gevoel dat het in zijn korte leventje al dingen gezien had die geen kind hoorde te zien.
Silas dacht aan zijn Sarah thuis, warm en veilig met de jongens, en besloot dat ze dan maar gewoon ruimte moesten maken voor nog een kleine erbij. Zorgvuldig verborg hij het kind onder zijn blauwe tovenaarsmantel en hield haar dicht tegen zich aan terwijl hij naar de Burchtpoort holde. Hij bereikte de ophaalbrug net op het moment dat Gringe, de Poortwachter, naar de Brugjongen wilde schreeuwen dat hij met ophalen moest beginnen.
‘Jij komt ook lekker op het nippertje,’ bromde Gringe. ‘Maar jullie Tovenaars zijn allemaal raar. Kweenie wattof jullie op een dag as vandaag buite te soeke hebbe.’
‘O?’ Silas wilde zo snel hij kon langs Gringe lopen, maar hij moest de man eerst wat zilvergeld in zijn hand stoppen. Snel diepte hij een zilveren penning op uit een van zijn zakken en gaf die aan hem.
‘Dank je wel, Gringe. Goedenavond.’
Gringe keek naar de penning alsof het een vieze tor was.
‘Marcia Overstrand, die heb me anders net een halve kroon gegeven.
Maar zij heb ook klasse, zeker nou dat ze de Buitengewone Tovenares is.’
‘Wát?’ Silas bleef er zowat in.
‘Jazeker. Klasse, dat heb ze.’
Gringe deed een stap naar achteren om hem door te laten en Silas glipte langs hem heen. Silas wilde dolgraag weten waarom Marcia Overstrand plotseling de Buitengewone Tovenares was geworden, maar hij voelde dat het bundeltje begon te bewegen in de warmte van zijn mantel, en iets zei hem dat Gringe maar beter niets van de baby kon weten.
Toen Silas in het donker van de tunnel verdween die naar de Wildgroei leidde, kwam een lange, in het paars gehulde gedaante tevoorschijn die hem de weg versperde.
‘Marcia!’ bracht Silas verbijsterd uit. ‘Wat is er in ’s hemelsnaam…’
‘Zeg tegen níémand dat je haar hebt gevonden. Ze is van jou. Begrepen?’
Silas knikte geschrokken. Voor hij iets kon zeggen, was Marcia verdwenen in een glinstering van paarse mist. De rest van de lange, kronkelende tocht door de Wildgroei volbracht Silas in de grootste verwarring. Wie was deze baby? Wat had Marcia met haar te maken? En waarom was Marcia nu de Buitengewone Tovenares? En terwijl Silas naar de grote rode deur liep die toegang gaf tot de toch al overvolle kamer van de familie Heap, kwam een andere, nog dringender vraag bij hem op: wat zou Sarah zeggen als er nog een baby bij kwam om voor te zorgen?
Silas kreeg weinig tijd om over die laatste vraag na te denken, want de deur vloog open en er kwam een lange vrouw met een rood gezicht, gekleed in het donkerblauwe gewaad van een Eerste Vroedvrouw, naar buiten rennen, die Silas bijna ondersteboven liep. Ook zij droeg een bundeltje, maar dat bundeltje was van top tot teen in verband gewikkeld, en ze droeg het onder haar arm alsof het een pakje was dat nog gauw even met de post mee moest.
‘Dood!’ schreeuwde de Eerste Vroedvrouw. Ze duwde Silas met een krachtige beweging opzij en rende de gang door. In de kamer klonk het geschreeuw van Sarah Heap.
Silas ging met een zwaar gemoed naar binnen. Hij zag Sarah, met om haar heen zes kleine jongens met witte gezichtjes, allemaal te bang om te huilen.
‘Ze heeft hem meegenomen,’ zei Sarah moedeloos. ‘Septimus is dood, en zij heeft hem meegenomen.’
Op dat ogenblik verspreidde zich iets warms en nats uit het bundeltje dat Silas nog onder zijn mantel verborgen hield. Silas kon geen woorden vinden voor wat hij wilde zeggen, dus haalde hij het bundeltje maar onder zijn mantel vandaan en legde haar in Sarahs armen.
Sarah Heap barstte in tranen uit.