Vragen aan Jan Simoen
1. Las je veel als kind?
Ja hoor, ik was een echt leesbeest. Alle boeken in de bibliotheek van Middelkerke drie keer gelezen, en aan de volwassen boeken begonnen toen ik nauwelijks veertien was, mét speciale toelating van de bibliothecaris, zo’n type was ik. En als ik niets te lezen had, las ik de opschriften op de melkfles en de doos cornflakes aan de ontbijttafel.
2. Welke boeken las je graag?
Ik las heel graag heldhaftige avonturenverhalen: Karl May (Winnetou en Old Shatterhand), Jules Verne (20.000 mijlen onder zee), dat soort dingen. Later, vanaf mijn 16de ongeveer ben ik de Vlaamse schrijvers beginnen lezen: Lampo, Daisne, Vandeloo, Ruyslinck en zo. Nu hopeloos verouderd. En nog later, toen ik 18 was: Marquez, Hesse en Tolkien. Ik herinner me dat ik de volledige ‘In de ban van de ring’ op één weekend heb uitgelezen op kot in Leuven.
3. En nu? Lees je nu nog veel?
Ik probeer het, maar dat lukt me niet zo goed: ik heb namelijk een voltijdse job in het onderwijs, en schrijven doe ik hoofdzakelijk ’s avonds en ’s nachts. Lezen gebeurt dus na het schrijven, nog later ’s avonds of ’s nachts dus. En meestal val ik dan na een paar bladzijden in slaap.
4. Wanneer ben je beginnen schrijven?
Natuurlijk heb ik altijd al graag geschreven, in de lagere school was opstel mijn beste vak. En nadien ben ik altijd wel blijven schrijven (brieven, artikels voor rijdschriftne, pogingen tot verhalen…) maar ik ben pas écht met schrijven begonnen in 1989: toen vroeg de artistieke leider van een Gents toneelgezelschap (Guy Cassiers), mij om voor hem een toneelstuk te schrijven. Dat heb ik toen gedaan, en het was een openbaring: het was de eerste keer dat ik echt iets afwerkte, en het was nog goed gelukt ook: dat stuk is een keer of vijftig opgevoerd, het kreeg goede reacties en ik had de smaak te pakken. Meteen daarna heb ik mijn eerste kinderboek geschreven en sindsdien ben ik blijven schrijven. En nu kan ik niet meer zonder.
5. Hoe ontstaat een boek?
Dat hangt ervan af. Soms zit er een verhaal al bijna helemaal in mijn hoofd als ik begin te schrijven (dat was zo bij ‘Met mij gaat alles goed’), soms heb ik alleen een beeld, of een idee, of een thema. (Dat was zo bij ‘En met Anna’). Maar meestal begint het wel bij een beeld in mijn hoofd, iets heel visueels, bijna filmisch. Ik zie een scène voor me, bijvoorbeeld een loft in Oostende in de havenwijk, vlakbij de oude vuurtoren. Dan kan ik het licht zien dat door de ramen valt, ik kan de warmte of de koude voelen, de tocht die door de ramen komt en ik kan zien waar mijn personages zich bevinden, in een zetel of aan een tafel, zwetend of rillend van de kou… Dan komt de rest al schrijvend. Want één ding is zeker: ik ben het type schrijver bij wie het boek écht achter de computer ontstaat. Bij mij ontwikkelt het verhaal zich meestal terwijl het geschreven wordt. Met het risico dat het al eens fout loopt natuurlijk.
6. Hoe lang werk je aan een boek?
Alles bij elkaar werk ik ongeveer 1 jaar aan een boek. Maar niet constant natuurlijk: ik heb namelijk een fulltime job, twee kinderen aan wie ik graag wat aandacht besteed, een schoon lief en nog heel wat andere waardevolle dingen & mensen in mijn leven. Ik wil graag nog een beetje leven ook, niet alles in het leven is literatuur. Piekmomenten van het schrijven zijn: de ‘conceptie’ (dwz de eerste weken: dan zit ik echt elk vrij moment achter mijn computer en zit ik ook op de minder beschikbare momenten met mijn pen en notaboekje in aanslag) en de ‘bevalling’, dwz de laatste 3-4 weken, als verhaal het af moet, als het ‘rijp’ is. (Of als de uitgever me zijn deadline heeft gegeven!) Mijn ‘beste’ momenten zijn ’s nachts, als alleen de katten en de vleermuizen wakker zijn. Als de mensheid slaapt.
Meer vragen aan Jan Simoen op: www.jansimoen.com